
Onder druk wordt alles vloeibaar – De bedoeling van een fluïde ecosysteem van Henk Venema en Hans van Leeuwen is alweer het derde deel in de reeks over fluïditeit. Ik had het voorrecht om twee voorlopige versies al grondig door te nemen en van stevige, eerlijke feedback te voorzien. Dat maakt het des te interessanter om nu te zien hoe deze inzichten hun weg hebben gevonden in de definitieve editie.
Het boek is opgebouwd rond twee grote kernhoofdstukken: de uitleg van het fluïde ecosysteem en de mogelijke oplossingsrichtingen, gescheiden door een centrale case rond een fictief uitkeringsorgaan. Daaromheen plaatsen de auteurs een introductie, een managementsamenvatting en diverse praktijkvoorbeelden. Voor mijn gevoel hadden de introductie en samenvatting krachtiger kunnen zijn wanneer ze waren samengevoegd.
Wat onmiddellijk opvalt, is de rijkdom aan concepten die Venema en Van Leeuwen inzetten. Het boek ademt ambitie en verbeeldingskracht, maar vraagt daardoor ook concentratie van de lezer.
Termen als fluïde ecosysteem, fluïditeit, liquiditeit, flux, fluïde, in flow, flow, fluïditeitsvorm, technologische, sociale en organisatorische fluïditeit, vloeiend, vloeiende organisaties, fluïditeitsvraagstukken passeren in hoog tempo de revue. Het maakt het boek inhoudelijk stevig, maar soms ook uitdagend om de essentie scherp in het vizier te houden.
De auteurs schetsen een wereld die zich in razend tempo ontwikkelt en waarin organisaties zich continu moeten aanpassen. Wendbaarheid alleen is volgens hen niet meer genoeg. Ze introduceren een nieuw paradigma: dat van Flow. Organisaties moeten fluïde worden, vormbaar zonder hun kern te verliezen, en samenwerken in fluïde ecosystemen. Denk aan tijdelijke rolwisselingen, adaptieve besluitvorming, en functies en waardeketens die in elkaar overvloeien. In zulke ecosystemen vervagen sector- en disciplinegrenzen en ontstaat ruimte om complexe, hardnekkige vraagstukken op nieuwe manieren te benaderen.
In het eerste kernhoofdstuk staat het waarom en wat van een fluïde ecosysteem centraal. De auteurs trekken daarvoor álle registers open, zó veel zelfs dat ik mij afvraag of ze allemaal nodig zijn om het fundament te verklaren. Alles wordt met alles verbonden.
Waarom fluïde ecosystemen
Ze starten bij technische schuld (technical debt) en de daarvan afgeleide varianten zoals organisatorische en functionele schuld. Daarna volgt een lange stoet aan begrippen: future literacy, hyper-novelty, adoptieratio’s, generaties Gen X tot en met Gen Z, corporate anthropology, liminaliteit en het boek Tricky tijden.
De vier continue liminale fasen die zij beschrijven, begrijp ik eerlijk gezegd niet. Voor mij is er slechts één relevante fase: de overgang van wendbaar naar fluïde waarin de andere vier aspecten een rol spelen en die is m.i. niet continu. Na een liminale fase krijg je een nieuwe status quo die vervolgens weer gevolgd kan worden door een volgende liminale fase. Aansluitend duiken de auteurs verder in onderwerpen als de diepte van verandering, aligned autonomy, de piramide van Lencioni, de terminale staat van serieusheid, fail fast, learn fast, antifragiliteit en autonomie.
Ik had de auteurs eerder al uitgedaagd om dit verhaal veel simpeler en compacter neer te zetten. In mijn ogen zijn ze daar nog niet in geslaagd. Door zoveel concepten tegelijk te introduceren en alles met elkaar te verweven, ontstaat een complex en moeilijk te volgen verhaal en daarmee loop je het risico de lezer te verliezen.
Wat is een fluïde ecosysteem
Een fluïde ecosysteem is een nieuw organisatieprincipe dat draait om samenwerking, flexibiliteit, waardecreatie en doelgerichtheid. In zo’n ecosysteem bundelen mensen uit verschillende disciplines, organisaties en sectoren hun krachten om snel en gezamenlijk oplossingen te realiseren omdat ze het alleen niet kunnen oplossen. Dat gebeurt zonder chaos of vrijblijvendheid, maar onder regie van een heldere missie, visie en strategie.
Samengevat ziet een fluïde ecosysteem er als volgt uit:
- Het ecosysteem bestaat uit één of meerdere groepen die actief met elkaar interacteren.
- Elke groep bestaat uit meerdere squads.
- Een squad is een autonoom team van ongeveer acht fte.
- De flow director leidt het fluïde ecosysteem, voert de regie en fungeert als opdrachtnemer richting de SRO, die namens het bestuur de opdrachtgever is (naar mijn mening is de flow director tegelijkertijd opdrachtgever richting de flow masters).
- De flow master leidt één of meerdere groepen en faciliteert de operationele squads.
- Een fluïde ecosysteem is een levend systeem, gedreven door een duidelijke bedoeling (purpose).
- Het systeem functioneert alleen goed onder randvoorwaarden als diversiteit, inclusie en psychologische veiligheid.
- Het ecosysteem kan uiteenlopende vormen aannemen, zoals een kennis-ecosysteem, netwerk-ecosysteem, platform-ecosysteem, waarde-ecosysteem, adaptief ecosysteem, hybride ecosysteem, community-gedreven ecosysteem, co-creatie-ecosysteem, zelforganiserend ecosysteem of regeneratief ecosysteem. In een bijlage lichten de auteurs deze varianten verder toe, inclusief bijbehorende risico’s.
- De positionering ten opzichte van de moederorganisatie kan verschillen: van een oervorm (startup naar scale-up), volledig binnen de organisatie, hybride (deels binnen, deels buiten) tot volledig extern gepositioneerd.
Met de rollen van flow director en flow master introduceren de auteurs nieuwe functionele elementen. Tegelijkertijd valt op dat zij de SRO uit MSP als opdrachtgever handhaven. Daardoor begint de geschetste structuur sterk te lijken op een klassieke programmamanagementorganisatie met een SRO, een programmadirecteur en projectmanagers. Dat roept de vraag op hoe vernieuwend deze inrichting daadwerkelijk is, en in hoeverre de fluïditeit zich vooral in terminologie manifesteert.
De aanpak van een fluïde ecosysteem
De aanpak van een fluïde ecosysteem draait om een voortdurende cyclus van vier stappen: awareness, assessment, adjustment en action. In de fase van awareness creëren de betrokkenen bewustzijn over de kernproblematiek en mogelijke oplossingsrichtingen. Dat begint bij vragen als: wat verstaan we onder fluïditeit, welke impact heeft dit op onze waardeketen, welke waarde willen we creëren, welke talenten hebben we nodig, hoe stabiel is de omgeving waarin we opereren en wat is precies de purpose van het fluïde ecosysteem? In deze fase wordt ook benadrukt dat ordelijke besturing en governance onmisbaar zijn. De auteurs richten die besturing op drie dimensies: in control, in regie en in flow. De kern van de beoogde oplossingsrichting ligt in het samenspel van willen, kunnen en mogen: de waarden die richting geven, de competenties en middelen die het ecosysteem nodig heeft, en de verbindingen die samenwerking mogelijk maken.
In de tweede fase, assessment, onderzoeken de auteurs hoe organisatorisch, digitaal, menselijk en cultureel fit het ecosysteem is. Ze kijken naar de wendbaarheid en transparantie van de organisatie, de mate waarin IT-processen zijn gedigitaliseerd of geautomatiseerd, de digitale fitheid van medewerkers en de digitale capaciteiten van het ecosysteem, de producten en de diensten. Daarbij spelen kerncompetenties zoals samenwerken, communiceren, adaptief en flexibel denken, strategisch en systemisch inzicht en ethisch en duurzaam handelen een belangrijke rol. Ook de positionering van het fluïde ecosysteem komt aan bod: functioneert het als oervorm (startup), opereert het volledig binnen de organisatie, kiest het voor een hybride vorm of bevindt het zich helemaal buiten de moederorganisatie?
In de fase adjustment ontwikkelen de betrokkenen een visie, strategie en actieplan. Ze maken daarbij gebruik van instrumenten als obeya, doelenbomen, Team Topologies en interventies die voortkomen uit combinatorische innovatie. In de laatste fase, action, levert het fluïde ecosysteem daadwerkelijk waarde op een kortcyclische manier, bijvoorbeeld via de TOAH-aanpak (die verder niet wordt toegelicht). Bestaande schaalbare agile frameworks vormen hiervoor een prima basis. Wat telt, is het concreet uitvoeren van fluïde samenwerking, besluitvorming en leiderschap. De auteurs noemen verschillende interventies, maar lichten deze niet verder toe. In de volgende cyclus worden nieuwe inzichten verwerkt en worden waar nodig aanpassingen gedaan. Het denken en werken in fluïde ecosystemen zal voor veel organisaties voelen als een evolutionaire stap. Om daadwerkelijk in flow te komen, moeten zij hun digitale, menselijke en organisatorische wendbaarheid vergroten, waarbij proces, structuur en mindset allemaal aandacht vragen.
In de twee kernhoofdstukken laten de auteurs ook verschillende gastschrijvers aan het woord over thema’s zoals diversiteit en inclusie, purpose, strategie, het DNA van managementteams, de digitalisering van de IT-voorbrenging en obeya. Het blijft voor mij echter onduidelijk of deze bijdragen door de gastschrijvers zelf zijn geschreven of door de auteurs zijn geïnterpreteerd en verwerkt.
Centrale case: uitvoeringsorgaan STREB
De case rond STREB is stevig uitgewerkt en voelt opvallend realistisch aan. De dynamiek, de bestuurlijke drukte en de dagelijkse complexiteit van een uitvoeringsorganisatie worden geloofwaardig neergezet. Tegelijkertijd gebruiken de auteurs veel afkortingen die niet altijd worden toegelicht, zoals bv. CLDE.
De voorgestelde oplossingsrichting, een fluïde ecosysteem per regeling, blijft daarnaast wat simplistisch. In de praktijk vraagt zo’n construct niet alleen om organisatorische aanpassingen, maar ook om duidelijke governance, eigenaarschap, mandaat, architectuur, en een stabiele basis waarop tijdelijk gevormde ecosystemen kunnen steunen. Juist die complexiteit komt in de case beperkt aan bod. Daardoor ontstaat het risico dat de oplossing eenvoudiger lijkt dan zij in werkelijkheid is.
Practijkcases
Tenslotte worden er in een afzonderlijk hoofdstuk een aantal praktijkvoorbeelden beschreven. Dit zijn voorbeelden waarbij de auteurs met de bril van fluïde ecosystemen hebben gekeken om te zoeken naar overeenkomsten. Ik vind de getrokken links met de fluide ecosystemen soms wat gezocht. Waarom bij de laatste case staat dat die betrekking heeft op Achmea kan ik uit de tekst niet opmaken.
Tenslotte presenteren de auteurs in een afzonderlijk hoofdstuk een reeks praktijkvoorbeelden. Daarbij kijken zij door de bril van fluïde ecosystemen en zoeken zij naar overeenkomsten tussen uiteenlopende situaties. Die benadering is interessant, maar de verbanden die zij leggen voelen soms wat gezocht. Bij sommige cases blijft de koppeling met het concept fluïde ecosystemen namelijk dun en moeilijk te volgen. Bij de laatste case blijft onduidelijk waarom deze betrekking zou hebben op Achmea; uit de tekst zelf is dat nergens op te maken.
Conclusie
Met Onder druk wordt alles vloeibaar zetten Venema en Van Leeuwen een ambitieuze stap: zij willen een nieuw organisatieprincipe neerzetten en organisaties meenemen in de overgang van wendbaarheid naar fluïditeit en flow. Die ambitie verdient waardering, evenals de energie en overtuiging waarmee zij hun visie uitwerken. Tegelijkertijd laat deze editie zien dat het concept nog niet volledig is uitgekristalliseerd. De veelheid aan begrippen, theoretische lijntjes en nieuwe rollen maakt het boek omvangrijk en complex, maar niet altijd helderder. Regelmatig betrapte ik mijzelf op de vraag: hoe dan precies?
De rijkdom aan ideeën komt daardoor niet altijd tot zijn recht. Door te veel te willen verbinden, verliest de tekst aan scherpte en gaat een deel van de toegankelijkheid verloren. De risico’s die ik eerder al signaleerde, dat de lezer wordt overweldigd en de essentie uit het zicht raakt, blijken in deze definitieve versie nog niet volledig ondervangen.
Ook redactioneel laat het boek echt steken vallen. De inconsistenties, taalfouten, onduidelijke formuleringen, wisselende schrijfwijzen en dubbele teksten (>100) halen de professionaliteit van het werk naar beneden. Dat is jammer, zeker omdat een strakkere redactie het verhaal aanzienlijk sterker had kunnen maken en de leesbaarheid direct had vergroot.
Daarmee blijft de kernboodschap, potentieel interessant en relevant, te veel verborgen onder lagen complexiteit. De verwijzingen naar de (nog niet beschikbare) community-website wekken de indruk dat een deel van de explicatie buiten het boek komt te liggen. Misschien kan die omgeving het gedachtegoed in de toekomst scherper, toegankelijker en praktischer neerzetten.
Kortom: het concept fluïde ecosystemen heeft potentie, maar deze uitwerking overtuigt nog niet volledig. Met meer focus, betere redactie en een sterker uitgewerkt hoe, zou dit boek echt kunnen uitgroeien tot een richtinggevend werk. Voor nu blijft het vooral een rijk, maar onnodig zwaar en soms verwarrend verhaal, met de kiem van een boodschap die nog verder moet rijpen.



