Handreikingen opdrachtgeverschap

Opdrachtgeverschap staat de laatste tijd steeds meer in de belangstelling. De verschijning van het boek ‘De kunst van goed opdrachtgeverschap’ van Marcel Vilain en mij heeft daar zeker een impuls aan gegeven. Daarnaast zijn de afgelopen jaren verschillende boeken over dit onderwerp verschenen, waarvan op deze blog samenvattingen te vinden zijn (zoek op opdracht).

In deze blog bundel ik een aantal samenvattingen van handreikingen over opdrachtgeverschap zoals die op internet beschikbaar zijn:

  • Handreiking professioneel opdrachtgever- en opdrachtnemerschap
  • Samenspel opdrachtgever-opdrachtnemer
  • Handreiking Intern opdrachtgeverschap voor publieke organisaties  
  • Handreiking professioneel opdrachtgeverschap
  • Maturity Model Publiek Opdrachtgeverschap in de Bouw
  • Handreiking toezicht op opdrachtgeverschap

Handreiking professioneel opdrachtgever- en opdrachtnemerschap

De Handreiking professioneel opdrachtgever- en opdrachtnemerschap richt zich op het versterken van de samenwerking tussen opdrachtgevers (zoals gemeenten en provincies) en opdrachtnemers (omgevingsdiensten) binnen het VTH-stelsel. De centrale gedachte is dat effectief functioneren van dit stelsel staat of valt met rolbewustzijn en professioneel samenspel. Beide partijen moeten hun rollen, taken en verantwoordelijkheden expliciet kennen én gebruiken als basis voor samenwerking.

De context van een gemeenschappelijke regeling maakt deze samenwerking complex. Opdrachtgevers blijven bestuurlijk verantwoordelijk, terwijl de uitvoering bij de omgevingsdienst ligt. Tegelijkertijd zijn dezelfde partijen vaak ook eigenaar van die dienst. Dit vraagt om duidelijke rolzuiverheid en een goede balans tussen afstand (onafhankelijkheid) en nabijheid (verlengstuk van de eigen organisatie). Vertrouwen, verbinding en bestuurlijke sensitiviteit zijn hierin cruciale randvoorwaarden.

De handreiking beschrijft de rol van de opdrachtgever als schakel tussen beleid en uitvoering. De opdrachtgever vertaalt beleidsdoelen naar concrete, uitvoerbare opdrachten, bewaakt de voortgang en onderhoudt de relatie met de opdrachtnemer. Daarbij hoort ook het organiseren van randvoorwaarden, zoals heldere opdrachtformulering, monitoring en bijsturing. Belangrijke succesfactoren zijn onder meer een gezamenlijk doel, duidelijke governance, voldoende mandaat en een sterke samenwerkingscultuur.

De opdrachtnemer, vaak vertegenwoordigd door een accountmanager, heeft als kerntaak het verbinden van de belangen van de omgevingsdienst met de wensen van de opdrachtgevers. Dit vertaalt zich in het opstellen en uitvoeren van een uitvoeringsprogramma, het monitoren van voortgang en het signaleren van ontwikkelingen. De opdrachtnemer is niet alleen uitvoerder, maar ook adviseur en sparringpartner, en draagt medeverantwoordelijkheid voor een realistische en uitvoerbare opdracht.

Een belangrijk verbindend element tussen opdrachtgever en opdrachtnemer is de zogenoemde Big 8-cyclus, waarin beleid, uitvoering en monitoring in een continue leer- en verbetercyclus samenkomen. Deze cyclus stimuleert samenwerking, gezamenlijke reflectie en het realiseren van maatschappelijke effecten (outcome) in plaats van alleen output.

De handreiking benadrukt daarnaast het belang van collectief opdrachtgeverschap. In plaats van individuele opdrachten per gemeente of provincie, staat een regionale opgave centraal. Dit vraagt om een andere manier van denken: van lokale sturing naar gezamenlijke verantwoordelijkheid voor regionale doelen. Tegelijk blijft ruimte bestaan voor maatwerk, mits hierover duidelijke afspraken worden gemaakt.

Tot slot beschrijft de handreiking instrumenten en randvoorwaarden die professioneel samenspel ondersteunen, zoals uitvoeringsprogramma’s, periodiek overleg, financiële rapportages en duidelijke escalatieafspraken. Ook wordt nadruk gelegd op voldoende capaciteit aan beide zijden en op congruentie tussen bestuurlijke besluiten en ambtelijke uitvoering.

Samenvattend biedt de handreiking een praktisch kader om opdrachtgeverschap en opdrachtnemerschap te professionaliseren. Niet door extra procedures, maar door expliciete rollen, goede samenwerking en een gezamenlijke focus op maatschappelijke resultaten.

De handreiking richt zich op structuur, rollen en de inrichting van het samenspel, terwijl ‘De kunst van goed opdrachtgeverschap’ zich richt op gedrag, interactie en vakmanschap binnen datzelfde samenspel. Daarmee zijn ze complementair: de handreiking legt de basis en zorgt dat het speelveld klopt, en het boek zorgt dat er ook goed gespeeld wordt.

Samenspel opdrachtgever-opdrachtnemer

Handreiking hoe het samenspel tussen OG/ON te verbeteren en zo nodig effectief een opdracht terug te geven. 

Definitieve versie 13 november 2023

De handreiking Samenspel opdrachtgever–opdrachtnemer biedt een praktische en herkenbare benadering om de samenwerking tussen opdrachtgever (OG) en opdrachtnemer (ON) te versterken. De kernboodschap is helder: een opdracht hoeft niet koste wat het kost te worden uitgevoerd. Het bewust teruggeven van een opdracht kan juist een professionele en effectieve interventie zijn die bijdraagt aan betere besluitvorming, meer duidelijkheid en uiteindelijk meer waarde voor de organisatie. 

De handreiking beschrijft het verloop van een opdracht over de gehele levenscyclus: van intake en contractering tot uitvoering en eventuele beëindiging. Daarbij staat het samenspel tussen OG en ON centraal. Succes ontstaat niet door één van beide rollen, maar door de kwaliteit van hun interactie, waarin verwachtingen, verantwoordelijkheden en ruimte voor tegenspraak expliciet worden gemaakt. 

Een belangrijk onderdeel van de handreiking is het onderscheid tussen belemmerende en helpende gedachten. In de praktijk blijken overtuigingen zoals “ik moet dit oplossen” of “stoppen is falen” een grote rol te spelen. Deze belemmerende gedachten leiden vaak tot het te lang doorgaan met opdrachten die onvoldoende kans van slagen hebben. Daartegenover staan helpende gedachten die juist ruimte bieden voor reflectie en professioneel handelen, zoals het bespreekbaar maken van twijfels, het herijken van de opdracht of het tijdig teruggeven ervan. 

Daarnaast introduceert de handreiking het werken met ‘rode vlaggen’. Dit zijn signalen die erop wijzen dat essentiële randvoorwaarden ontbreken of onvoldoende zijn ingevuld. Voorbeelden zijn onduidelijke doelen, een gebrek aan eigenaarschap bij de opdrachtgever, tegenstrijdige verwachtingen of een opdrachtgever die niet beschikbaar is voor besluitvorming. Door deze signalen tijdig te herkennen en te benoemen, ontstaat ruimte om bij te sturen of de opdracht opnieuw te definiëren. 

De handreiking biedt vervolgens concrete interventies per fase van de opdracht. In de intakefase ligt de nadruk op het stellen van scherpe vragen en het expliciteren van aannames. Tijdens de uitvoering gaat het om het bespreekbaar maken van patronen, het hercontracteren van afspraken en het benutten van tegenspraak. Wanneer beëindiging aan de orde is, helpt de handreiking om dit zorgvuldig en onderbouwd te doen, met oog voor zowel inhoudelijke als relationele aspecten. 

Door deze aanpak helpt de handreiking organisaties om opdrachtgeverschap en opdrachtnemerschap professioneler in te vullen. Niet door meer procedures, maar door beter samenspel, expliciete keuzes en het lef om ook moeilijke besluiten te nemen.

De handreiking biedt concrete handvatten voor de opdrachtnemer om het samenspel te verbeteren en in te grijpen wanneer dat nodig is. De kunst van goed opdrachtgeverschap is geschreven vanuit de opdrachtgever en gaat een stap verder en laat zien hoe je opdrachtgeverschap structureel en duurzaam inbedt in de organisatie en de samenwerking middels het opdrachtgeverschapconvenant expliciet maakt. De combinatie van beide geeft daarmee zowel praktische interventies als een stevig fundament voor professioneel opdrachtgeverschap.

Handreiking Intern opdrachtgeverschap voor publieke organisaties  

Door Prof.dr.ir. Marleen Hermans, ir. Hanneke Veldhuis, dr.ir. Leonie Koops, dr. Daan Bossuyt

Leerstoel Publiek Opdrachtgeverschap in de Bouw, TU Delft Faculteit Bouwkunde, MBE, december 2022

De handreiking Intern opdrachtgeverschap voor publieke organisaties richt zich op het versterken en professionaliseren van de opdrachtgevende rol binnen publieke organisaties. 

Centraal staat de gedachte dat opdrachtgeverschap niet alleen draait om het contracteren van marktpartijen, maar juist om het interne proces waarin ambities, beleidsdoelen en publieke waarden worden vertaald naar concrete opdrachten en samenwerking met de markt.

Publiek opdrachtgeverschap wordt gedefinieerd als de manier waarop een organisatie haar interactie met de markt, zowel intern als extern, vormgeeft en uitvoert. Daarbij is het interne opdrachtgeverschap cruciaal, omdat hier de verbinding wordt gelegd tussen strategie en uitvoering. De handreiking onderscheidt vier perspectieven die samen de opdrachtgevende rol bepalen: de interactie met de markt, de bijdrage aan organisatiedoelen, het bedienen van burgers en gebruikers, en het voldoen aan politiek-maatschappelijke verwachtingen. Deze perspectieven maken duidelijk dat opdrachtgeverschap altijd een balans vraagt tussen verschillende, vaak conflicterende publieke waarden.

Een belangrijk inzicht is dat opdrachtgeverschap onderdeel is van de volledige beleidscyclus. De externe opdrachtverlening, zoals inkoop en contractmanagement, vindt plaats in de uitvoeringsfase, maar de basis wordt gelegd aan de voorkant, waar beleidsdoelen en ambities worden vastgesteld. Juist daar begint intern opdrachtgeverschap. In de praktijk blijkt echter dat de vertaling van strategie naar uitvoering vaak gebrekkig is. Verschillende sturingslijnen, onduidelijke prioriteiten en ontbrekende samenhang leiden ertoe dat keuzes op uitvoeringsniveau versnipperd worden gemaakt. Dit kan door marktpartijen worden ervaren als willekeur en maakt het lastig om consistent bij te dragen aan organisatiedoelen.

De handreiking benadrukt daarom het belang van een sterk tactisch niveau in de organisatie, waar strategische ambities worden vertaald naar concrete uitvoeringsprogramma’s. Dit wordt aangeduid als de ‘verdeelstraat’: een mechanisme waarin duidelijk wordt welke doelen aan welke programma’s en projecten worden gekoppeld. In veel organisaties is dit niveau onderontwikkeld, wat leidt tot een zogenoemde ‘tactische wespentaille’: een gebrek aan samenhang en sturing tussen strategie en uitvoering.

Daarnaast spelen maatschappelijke ontwikkelingen een belangrijke rol. Grote opgaven zoals klimaatverandering en circulariteit vragen om een programmatische, integrale en samenwerkingsgerichte aanpak. Dit betekent dat opdrachtgeverschap zich ontwikkelt van een transactionele relatie met leveranciers naar langdurige partnerschappen. Ook initiatieven zoals Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI) vragen om een bredere benadering, waarbij maatschappelijke doelen niet alleen in het inkoopproces, maar in de hele beleidscyclus worden geborgd.

Tot slot gaat de handreiking in op de professionaliteit van opdrachtgeverschap. Deze hangt samen met de mate waarin organisaties in staat zijn hun opdrachtgevende rol bewust en samenhangend in te richten. Belangrijke aandachtspunten zijn het formuleren van beleid op opdrachtgeverschap, het ontwikkelen van medewerkers, het organiseren van lerend vermogen en het hebben van voldoende kennis van de markt. In de praktijk ontbreekt het vaak aan structurele evaluatie en kennisborging, waardoor organisaties steeds opnieuw het wiel uitvinden.

De kernboodschap is dat professioneel intern opdrachtgeverschap vraagt om samenhang, bewust sturing en continue ontwikkeling. Alleen wanneer organisaties erin slagen hun ambities eenduidig te vertalen naar uitvoering en dit proces goed te organiseren, kunnen zij marktpartijen effectief inzetten om maatschappelijke waarde te realiseren.

De handreiking biedt de structurele randvoorwaarden: hoe zorg je dat opdrachtgeverschap goed is ingebed in de organisatie? Het boek ‘De kunst van goed opdrachtgeverschap’ biedt de invulling van het vak: hoe geef je als opdrachtgever en opdrachtnemer daadwerkelijk goed vorm aan die rol in de praktijk? De handreiking zorgt dat het speelveld klopt, het boek zorgt dat er goed gespeeld wordt. Pas als beide op orde zijn, structuur én gedrag, ontstaat volwassen opdrachtgeverschap. Zie ook het interview met Marleen Hermans in het boek.

Handreiking professioneel opdrachtgeverschap

Een handreiking voor corporaties en andere (semi-)publieke opdrachtgevers

Door: Prof.dr.ir. Marleen Hermans, ir. Hanneke Veldhuis, ir. Simon van Zoest, TU Delft, Faculteit Bouwkunde, Management in the built environment, Leerstoel Publiek Opdrachtgeverschap in de bouw

De handreiking Professioneel Opdrachtgeverschap biedt een praktisch en onderbouwd kader voor (semi-)publieke organisaties om hun opdrachtgevende rol te professionaliseren. Centraal staat het inzicht dat opdrachtgeverschap een bepalende factor is voor het succes van projecten en voor de kwaliteit van de gebouwde omgeving. (Semi-)publieke opdrachtgevers zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de bouwproductie in Nederland en hebben daarmee een belangrijke maatschappelijke rol. Tegelijkertijd blijkt uit de praktijk dat deze rol vaak nog onvoldoende expliciet, integraal en professioneel wordt ingevuld.

Professioneel opdrachtgeverschap wordt gedefinieerd als de wijze waarop een organisatie haar interactie met de markt vormgeeft en uitvoert, in relatie tot haar eigen doelstellingen, de gebruikers en de maatschappelijke context. Dit omvat onder andere het specificeren, aanbesteden, contracteren en managen van leveranciers, maar ook het realiseren van organisatiedoelen en publieke waarden. Een belangrijke ontwikkeling daarbij is de verschuiving van traditioneel naar regisserend opdrachtgeverschap: van het voorschrijven en controleren van oplossingen naar het sturen op resultaten, samenwerking en waardecreatie.

Om organisaties te helpen hun volwassenheid te bepalen, introduceert de handreiking het Maturity Model Publiek Opdrachtgeverschap. Dit model onderscheidt negen samenhangende aspecten, gegroepeerd rond drie thema’s: organisatie (zoals beleid, cultuur en competenties), context (zoals stakeholders, maatschappelijke rol en publieke spelregels) en opgave (zoals marktinteractie en professioneel handelen in projecten). Het model maakt zichtbaar in hoeverre organisaties bewust, integraal en consistent invulling geven aan hun opdrachtgeverschap en biedt daarmee een basis voor reflectie en ontwikkeling.

Uit de toepassing van dit model bij corporaties komen duidelijke patronen naar voren. Veel organisaties missen een gedeelde visie op opdrachtgeverschap en werken gefragmenteerd, vaak via losse pilots zonder samenhangend beleid. Er is regelmatig een kloof tussen strategie en uitvoering, en tussen verschillende afdelingen binnen dezelfde organisatie. Ook ontbreekt vaak een goed inzicht in de totale opgave en worden keuzes onvoldoende op portfolioniveau gemaakt. Hierdoor blijft de bijdrage van projecten aan organisatiedoelen diffuus.

Daarnaast blijkt dat cultuur, leiderschap en competenties achterblijven bij de gewenste ontwikkeling. Nieuwe samenwerkingsvormen vragen ander gedrag, andere vaardigheden en meer samenwerking, maar organisaties investeren nog onvoldoende in opleiding, kennisdeling en het ontwikkelen van een lerende organisatie. Ervaringen uit projecten worden beperkt vastgelegd en gedeeld, waardoor leren en verbeteren onvoldoende plaatsvinden.

Op het gebied van marktbenadering en samenwerking met leveranciers is vaak sprake van onduidelijkheid over doelen en verwachtingen. Organisaties hebben niet altijd voldoende marktkennis en benutten de innovatiekracht van leveranciers nog beperkt. Tegelijkertijd spelen publieke waarden zoals transparantie, integriteit en maatschappelijke impact een belangrijke rol, maar worden deze niet altijd expliciet en meetbaar gemaakt.

De handreiking benadrukt dat professioneel opdrachtgeverschap vraagt om samenhang: tussen beleid en uitvoering, tussen verschillende organisatieonderdelen en tussen opdrachtgever en markt. Belangrijke aanbevelingen zijn het ontwikkelen van een heldere visie, het versterken van het tactische niveau, het investeren in mensen en leervermogen, en het structureel evalueren en borgen van ervaringen.

De kernboodschap is dat professioneel opdrachtgeverschap geen losse activiteit is, maar een organisatiebrede competentie. Door bewust te reflecteren op de eigen rol en deze systematisch te ontwikkelen, kunnen organisaties groeien van een ad hoc aanpak naar een geïntegreerde, doelgerichte en effectieve invulling van opdrachtgeverschap.

De eerste handleiding ‘Intern opdrachtgeverschap voor publieke organisaties’ helpt om te bepalen hoe je als organisatie opdracht geeft aan de buitenwereld; deze handleiding helpt om binnen die organisatie het samenspel effectief te laten verlopen. Samen vormen ze daarmee een logisch geheel. Zonder goed intern opdrachtgeverschap blijft extern opdrachtgeverschap kwetsbaar: onduidelijke rollen, zwakke besluitvorming en gebrek aan samenwerking werken direct door in de relatie met de markt. Andersom geldt dat een sterke externe opdrachtgeversrol pas echt tot zijn recht komt als de interne organisatie goed is ingericht en het OG–ON samenspel professioneel functioneert.

Maturity Model Publiek Opdrachtgeverschap in de Bouw

Beschrijving voor praktijktoepassing. Door: Prof.dr.ir. Marleen Hermans, Dr.ir. Leentje Volker, Pieter Eisma MSc.TU Delft, Faculteit Bouwkunde, Real Estate & Housing. Leerstoel Publiek Opdrachtgeverschap in de Bouw

Het Maturity Model Publiek Opdrachtgeverschap in de Bouw biedt een praktisch kader waarmee (semi-)publieke organisaties hun volwassenheid op het gebied van opdrachtgeverschap kunnen beoordelen en ontwikkelen. Het model is ontwikkeld door de TU Delft in samenwerking met praktijkpartijen en heeft als doel bewustwording te creëren over de breedte en complexiteit van de opdrachtgeversrol.

De kern van het model is dat opdrachtgeverschap meer is dan het initiëren van projecten. Het omvat de wijze waarop een organisatie haar interactie met de markt organiseert en uitvoert, zowel op het niveau van individuele projecten als op portfolioniveau. Daarbij wordt expliciet onderscheid gemaakt tussen het handelen binnen een specifieke opgave en de rol van de organisatie als structurele opdrachtgever over meerdere initiatieven heen.

Het model bestaat uit tien samenhangende aspecten die samen het vakgebied opdrachtgeverschap afdekken. Deze aspecten variëren van interne organisatiekenmerken, zoals beleid, cultuur, leiderschap en competenties, tot meer opdrachtgeverspecifieke thema’s zoals stakeholdermanagement, portfoliosturing, marktinteractie en professioneel handelen in projecten. Daarnaast wordt expliciet aandacht besteed aan publieke waarden en spelregels, zoals transparantie, integriteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Op de hoogste laag vraagt het model om creativiteit en flexibiliteit: het vermogen om binnen kaders effectief en vernieuwend te handelen.

Een belangrijk uitgangspunt is dat deze aspecten onderling samenhangen. Zo vormen organisatie, cultuur en competenties randvoorwaarden voor effectief opdrachtgeverschap, terwijl aspecten zoals marktinteractie en professioneel handelen bepalend zijn voor de uitvoering. Vooral de eerste vier aspecten de basis vormen de basis, terwijl de daaropvolgende aspecten direct betrekking hebben op het functioneren als opdrachtgever in de praktijk.

De volwassenheid wordt gemeten met een vijfpuntsschaal, variërend van ad hoc tot geoptimaliseerd. Deze schaal kijkt niet naar specifieke oplossingen, maar naar de mate waarin een organisatie bewust, integraal en structureel invulling geeft aan opdrachtgeverschap. Vier indicatoren staan hierbij centraal: de mate van integraliteit, het formuleren en evalueren van doelstellingen (SMART), de inbedding in de organisatie en de beschikbaarheid van ondersteunende processen en instrumenten.

Het model is nadrukkelijk niet bedoeld als harde beoordelings- of benchmarktool, maar als hulpmiddel voor reflectie en dialoog binnen organisaties. Door gezamenlijk per aspect de huidige situatie te bespreken en te vergelijken met een gewenste situatie, ontstaat inzicht in ontwikkelpunten en prioriteiten. Het model wordt bij voorkeur toegepast in workshops, waarin betrokkenen hun ervaringen delen, gezamenlijk tot een oordeel komen en concrete verbeteracties formuleren.

De belangrijkste meerwaarde van het model ligt daarmee in het stimuleren van een organisatiebreed gesprek over opdrachtgeverschap. Het helpt organisaties om voorbij losse projecten te kijken en opdrachtgeverschap als strategische competentie te ontwikkelen. Door systematisch aandacht te besteden aan zowel structuur, gedrag als samenwerking met de markt, kunnen organisaties groeien naar een meer integrale, bewuste en effectieve invulling van hun opdrachtgeversrol.

Handreiking toezicht op opdrachtgeverschap

Inleiding en praktijk voor toezichthouders. Auteurs: Margriet Drijver, Marleen Hermans en Emile Spek

De handreiking Toezicht op opdrachtgeverschap is primair bedoeld voor toezichthouders in de woningcorporatiesector, in het bijzonder leden van raden van commissarissen (RvC).

Zij hebben de taak om bestuurders te bevragen, te spiegelen en toezicht te houden op de manier waarop opdrachtgeverschap wordt ingevuld. De handreiking ondersteunt hen bij het voeren van het juiste gesprek over dit thema en bij het versterken van hun rol als kritisch en deskundig toezichthouder.

De kern van professioneel opdrachtgeverschap ligt in het bewust vormgeven van de interactie tussen organisatie en markt. Dit wordt uitgewerkt in een model met vier perspectieven: de samenwerking met leveranciers, de bijdrage aan organisatiedoelen, de impact op de huurder en de relatie met stakeholders zoals gemeenten en politiek. Deze perspectieven maken duidelijk dat opdrachtgeverschap geen geïsoleerde activiteit is, maar een integraal onderdeel van de organisatie en haar omgeving.

Om opdrachtgeverschap te professionaliseren is het essentieel dat organisaties onderbouwde en samenhangende keuzes maken. Het maturity model publiek opdrachtgeverschap helpt om inzicht te krijgen in de huidige stand van zaken en gewenste ontwikkeling. Daarbij gaat het niet alleen om beleid en processen, maar ook om cultuur, competenties en samenhang tussen activiteiten. De mate waarin deze aspecten expliciet zijn uitgewerkt en geborgd, bepaalt de professionaliteit van de organisatie als opdrachtgever.

Een belangrijk thema is de strategische keuze tussen zelf doen of uitbesteden (“make or buy”). Deze keuze raakt de kern van de organisatie en vraagt om heldere afwegingen over rollen, verantwoordelijkheden en samenwerking met marktpartijen. Daarbij is het concreet formuleren van opdrachten cruciaal, evenals het organiseren van passende contractvormen en risicobeheersing. Risicomanagement vormt dan ook een integraal onderdeel van opdrachtgeverschap: risico’s moeten expliciet worden gemaakt, verdeeld en actief gemanaged.

De handreiking besteedt daarnaast aandacht aan actuele ontwikkelingen zoals duurzaamheid en digitalisering. Deze thema’s vergroten de afhankelijkheid van externe expertise en maken samenwerking met leveranciers complexer en strategischer. Corporaties moeten daarom niet alleen technisch, maar vooral strategisch sturen op deze onderwerpen en zorgen voor een goede inbedding in de organisatie.

Governance speelt hierin een cruciale rol. Wet- en regelgeving, zoals de Woningwet en de Governancecode, benadrukken het belang van transparantie, verantwoording en risicobeheersing. Bestuurders en toezichthouders moeten actief sturen op opdrachtgeverschap en hierover in dialoog blijven. Dit vraagt om goede rapportages, duidelijke verantwoordelijkheden en het vermogen om afwijkingen te onderbouwen en toe te lichten.

Een belangrijk onderdeel van goed toezicht is het voeren van het “goede gesprek”. Toezichthouders moeten niet vervallen in inhoudelijke sturing, maar juist fundamentele vragen stellen over visie, keuzes en risico’s. Timing is daarbij essentieel: het gesprek moet plaatsvinden voordat besluiten definitief zijn. Tegelijk vraagt dit om voldoende deskundigheid en bewustzijn van de eigen rol.

Tot slot benadrukt de handreiking het belang van leren en ontwikkelen. Veel organisaties evalueren projecten wel, maar borgen de opgedane kennis onvoldoende. Om een lerende organisatie te worden, moet leren expliciet worden georganiseerd op individueel, team- en organisatieniveau. Alleen dan kan opdrachtgeverschap zich duurzaam ontwikkelen en bijdragen aan betere prestaties.

Deze handreiking is ontwikkeld voor toezichthouders in de woningcorporatiesector, maar de onderliggende principes zijn breder toepasbaar. Iedere toezichthouder die betrokken is bij organisaties die werken met externe partijen, projecten en programma’s kan de inzichten gebruiken om het gesprek over professioneel opdrachtgeverschap te versterken.

De handreiking helpt toezichthouders om te zien óf opdrachtgeverschap goed wordt ingevuld.
‘De kunst van goed opdrachtgeverschap’ laat zien hóe je dat in de praktijk doet. Samen vormen ze een sterk geheel: de handreiking als spiegel voor toezicht, het boek als praktische gids voor uitvoering en ontwikkeling.

Review 10X ORG

‘Review 10X ORG – A manager’s guide to elevate business performance with people and AI’ by Alexey Krivitsky, Craig Larman and Roland Flemm explains how to design your organization using the map, assess, design, elevate and repeat method, combined with org topologies.

The book uses two intertwined layers. In the first layer, we follow Hanna and her colleagues as they navigate real tensions around AI, performance, learning, and organizational design. The story regularly pauses for theory sections that unpack what is happening and connect it to real-world organizations. Each section explains a principle of 10X Org: own, not rent as the backbone; drive performance with org design to make ownership concrete; shape intelligence with mandates to translate design into performance; fit for purpose to support intentional design; change through a learning loop to enable continuous evolution; follow the value – learn and deliver to avoid endless reorganizations; make the org goal win to prevent local optimization; embed multi-learning to unlock human potential; and accelerate with strategic AI to support the chosen direction.

Organizational design
Strategy sets the intent, organizational design provides the enabling structure, and performance emerges from their alignment. The authors build on Jay Galbraith’s Star Model. They emphasize five core elements: design criteria, structure, processes, rewards, and people. These elements form a star-shaped system that highlights their interdependence. When the elements align and reinforce one another, performance becomes more reliable and less accidental. When organizational design aligns with strategy, it acts as a force multiplier.

Org topologies
Org topologies (OT) offers an approach to elevate performance through people-centered, strategy-driven, and AI-ready design. The OT map, a 2×2 grid, provides the core visual. The horizontal axis represents the scope of the skills mandate, from narrow to broad. It shows how many skills a unit possesses and is authorized to apply. The vertical axis represents the scope of the work mandate, also from narrow to broad. It shows the type of work a unit is trusted to handle.

In the lower half of the map, teams execute narrowly defined tasks with clear inputs and outputs, without needing to understand the bigger picture. In the upper half, units own outcomes. They make decisions, weigh trade-offs, and shape the work itself. The OT map creates a shared language to understand how work is structured, how it aligns or misaligns with strategy, and which structural shifts improve performance sustainably.

Each organizational unit carries a mandate: a bundle of authority and responsibility to decide, explore, act, and deliver results within a defined scope. Narrow mandates limit problem-solving and create dependencies, coordination overhead, and delays. Broad mandates enable units to take ownership of broader outcomes with fewer handoffs. This capability – what an organization can collectively see, learn, and solve – defines its organizational intelligence, and mandates set its ceiling.

Combining skills and work mandates in the 2×2 reveals four forms of organizational intelligence: doing, directing, delivering, and driving intelligence. These combine into three common org topologies: resource topology, delivery topology, and adaptive topology.

The Resource Topology
The resource topology behaves like a mechanical system. It relies on frozen functional archetypes, each specialized in a single domain. Its purpose is to maximize resource utilization. Organizations often implement this topology through resource management approaches, where managers plan and monitor allocation and utilization.

The Delivery Topology
The delivery topology behaves like a structured network. It improves flow by reducing dependencies and typically forms cross-functional teams. These teams enable smoother delivery of fully completed work. In some domains, this resembles a feature factory, where teams produce a continuous stream of features, with a strong focus on outputs and local efficiency.

The Adaptive Topology
The adaptive topology behaves like a living ecosystem. It integrates directing, doing, and delivering into unified units. Humans, AI agents, and robots collaborate on complex problems and continuously adapt. These units explore, learn, and steer themselves. The goal is adaptiveness and customer-centricity, enabling continuous learning and the delivery of customer value.

MADE-Repeat
The org topologies change method builds on the Star Model by adding a continuous loop: map, assess, design, elevate, and repeat. The MADE method functions as a learning system grounded in systems thinking. Organizational change is not purely technical. It directly affects people’s sense of competence, status, and control. Any redesign inevitably touches identity, power, and relationships.

The appendix includes around 30 elevating Katas. These structured, repeatable routines translate design intent into daily behavior. They provide practical ways to reshape structure, mandates, roles, processes, and incentives while learning from real work. Teams mainly apply them in the elevate step of the MADE method.

To support reflection, analysis, and learning, the book introduces Aiden, a specially trained custom GPT that helps apply the concepts in practice.

Conclusion
This book presents a coherent and practical approach to organizational design by combining theory, narrative, and actionable methods. It clearly shows how mandates, structure, and learning loops shape performance and organizational intelligence. The strength lies in linking strategy, design, and execution through the OT map and the MADE cycle, supported by concrete practices such as Katas. At the same time, the authors make clear that organizational change is not just structural but deeply human. By positioning design as a continuous learning process and integrating AI as an accelerator, the book offers a compelling perspective on how organizations can evolve toward higher performance in a sustainable way.

To order 10X Org: managementboek.nl

Review A fish in your ear – the new discipline of project portfolio management

A fish in your ear – the new discipline of project portfolio management by Michael Menard may be an older book, but it still offers valuable insights for today’s portfolio managers. It presents project portfolio management (PPM) as a holistic discipline and explains how organizations can optimize project selection, understand resource consumption, and increase value delivery.

The book is structured into three parts. Choosing explores the dilemmas of executive decision-making. The new discipline focuses on the practitioner and introduces portfolio optimization. Humans describes how to change behavior and perception to build and sustain PPM capability.

Menard defines PPM as a collection of processes, tools, and skills that enable organizations to select, resource, execute, and communicate a portfolio of projects that delivers the greatest contribution.

Choosing: from chaos to process

Menard starts with a recognizable reality: the “big, sweaty meeting.” In this setting, decision-makers gather, review project proposals, and openly discuss costs. Then the real dynamic begins. Individuals pitch their projects, arguments escalate, and decisions emerge from negotiation rather than structure.

These meetings do not stand alone. They build on smaller, informal “corridor deals.” Together, they create a time-consuming, costly, and ineffective way of selecting projects.

To move beyond this chaos, organizations must answer a fundamental question: are we working on resource-sucking, unproductive projects? The answer requires a structured decision process. Designing that process becomes the first step in taming complexity.

The new discipline: designing and using the process

Building the foundation

Effective PPM starts with process design. This requires attention to scorecards, data quality, reporting, and information flows. Organizations must map the current situation, design a better future, document it, and implement it.

Data plays a central role. It supports analysis, tracking, and communication, but its most important function is enabling better decisions. Menard distinguishes three types of variables. Nominal variables define what a project is. Ordinal variables help assess the value and risk of that project. Investment variables describe what is needed to realize the project, such as people, finances, and time. Together, these variables create a structured basis for evaluating and comparing initiatives.

Scorecards: bringing structure to decisions

Scorecards replace guesswork with structured decision-making by ranking projects on a collection of variables and making the selection criteria explicit. You will not find them in big, sweaty meetings, where decisions are driven by advocacy and negotiation. Instead, scorecards offer a disciplined alternative to capricious judgment. They bring structure and clarity to project portfolio selection by listing the criteria on which projects are assessed and compared.

A well-designed scorecard consists of several connected elements: criteria, a score guide, (utility) scores, weightings, and weighted scores. The score guide clarifies how to interpret and score a criterion. It can, for example, distinguish between categories such as incremental, substantial, and transformational, and provide an expanded definition and value for each category. In that way, the scorecard does not simply list criteria but also helps decision-makers apply them consistently.

The criteria weighting process is a crucial part of this approach. It starts by identifying the criteria and then agreeing on their relative importance. That importance is translated into numeric values so the criteria can be used in prioritization. This process builds on two important foundations: pairwise comparison and the analytical hierarchy process. Pairwise comparison compares criteria two at a time to determine which of the pair is more important. In this way, it helps establish a priority order. The analytical hierarchy process takes this logic further. It breaks a complex decision into a hierarchy of smaller, more understandable sub-problems. Decision-makers then compare the elements within that hierarchy in pairs, taking into account the impact of each comparison on the level above it. AHP blends hard data with human judgment and converts those pairwise evaluations into numerical values that can be processed across the whole decision problem.

This makes weighting more than a technical exercise. It is the mechanism that translates qualitative judgments into a usable prioritization model. At the same time, the calculation of weights could have been explained more clearly. For example, when comparing criteria in pairs, you can assign factors such as much more important, more important, comparable, less important, or much less important, and translate these into numeric values such as 4, 2, 1, 0.5, and 0.25. That kind of explanation would have made the weighting logic more transparent and easier to apply.

PPM is inherently risky because it is future-based. It requires an appetite for appropriate risk and depends heavily on soft data in the form of informed human judgment. Numbers may appeal to the intellect, but wise decision-making in portfolio management rests largely on the quality of that judgment. Scorecards therefore do not eliminate subjectivity; they discipline it.

The book also distinguishes between two ways of dealing with value and risk, or magnitude and manageability, as primary dimensions of a project or portfolio. One school of thought combines value and risk into a single scorecard that produces one overall prioritization score. The other uses two separate scorecards, one for value and one for risk. The second approach has emerged as the better practice because it creates more differentiation between projects. When value and risk are merged into one scheme, projects tend to cluster too closely together. When they are separated, you first gain a clearer understanding of the project’s value and then assess its risk in relation to that value proposition.

I would say when designing scorecards, it is sensible to remove criteria that contribute e.g. less than five percent to the total score. Criteria with only marginal influence add complexity without adding much decision value. In a stage-gate environment, both criteria and weights may also shift over time. The criteria themselves may remain stable, while their weighting changes depending on the stage of the project, the timing, or the context. Applying the criteria weighting process by stage helps recalibrate the model so it remains relevant throughout the life cycle.

Seeing the whole: data visualization

PPM is fundamentally about seeing the whole, and visualization plays a crucial role in achieving that. Graphical representations enhance the ability to analyze, decide, and communicate.

Different visual forms help reveal patterns and relationships within the portfolio. Elements such as color, size, and position make information accessible and comparable. Tools such as bubble charts, matrix charts, waterfall charts, and cumulative charts allow multiple dimensions to be displayed at once, sometimes even combining several variables in a single view.

Effective visualization follows several guiding principles. It should provide what stakeholders need, highlight what truly matters, offer sufficient richness, remain valid and reliable, and always serve a clear purpose. When applied well, visualization turns complex data into actionable insight.

Portfolio selection: from intuition to optimization

The purpose of portfolio selection is to maximize contribution to the business, activate strategic intent, achieve balance, and make optimal use of scarce resources. In practice, however, organizations often face two structural gaps. The portfolio gap reflects the difference between strategic ambitions and what the current portfolio can deliver. The resource gap highlights the mismatch between ambitions and available capacity.

Menard introduces a dynamic process to deal with these challenges. Organizations start with strategy, generate ideas, assess and prioritize initiatives, and then evaluate whether the resulting portfolio can deliver strategic goals. If not, they revisit earlier steps. Once alignment with strategy is achieved, they assess whether sufficient resources are available. If constraints prevent execution, adjustments are made again. Only when both conditions are met does execution proceed.

He describes three approaches to portfolio selection. The advocacy approach relies on influence and persuasion and often results in decisions driven by power rather than value. The draw-the-line approach introduces more structure by ranking projects and funding those above a certain threshold until resources are exhausted. However, it overlooks interdependencies and the hidden value of projects below the line. Holistic optimization offers a more advanced alternative. It considers value, risk, interdependencies, constraints, and strategic alignment in an integrated way.

Optimization is not a one-time event but an ongoing process. It requires continuous data collection and management, the use of multivariate prioritization, strong visualization capabilities, appropriate technology, and deliberate change management. Only then can organizations continuously refine their portfolio and improve outcomes.

Technology: enabling the discipline

Technology plays a supporting role in enabling PPM. It facilitates data storage, visualization, analysis, and reporting. It enables scenario exploration, workflow management, and governance structures. At the same time, the content of this chapter reflects the period in which the book was written. New developments, particularly in artificial intelligence, are likely to reshape this domain significantly.

Humans: making PPM work in practice

The final part of the book focuses on people and behavior. Successful implementation of PPM requires more than processes and tools. It demands a change-adaptive culture.

Menard outlines a structured approach to achieve this. Organizations must clearly communicate the need for change, actively involve sponsors, educate those who drive change, and ensure that end users adopt new ways of working. They must also define and reinforce desired behaviors and support this with a consistent communication effort. Together, these steps create the conditions for sustainable change.

Conclusion

A fish in your ear – the new discipline of project portfolio management shows that effective portfolio management is not about louder voices or better arguments, but about discipline, structure, and informed choice. Menard replaces intuition-driven selection with a coherent approach built on data, visualization, and human judgement.

The strength of the book lies in its holistic perspective. It connects process design, decision-making, technology, and human behavior into one integrated discipline. Concepts such as scorecards, criteria weighting, and continuous optimization remain directly applicable in today’s practice.

What I miss is the recognition that most portfolios contain too many projects. Many organizations overload their portfolios in the pursuit of maximum resource utilization. This creates multitasking, delays, and a lack of flow, which ultimately reduces the number of projects that successfully deliver value.

This reinforces Menard’s core message. Portfolio management requires focus and the willingness to choose. Not everything can be done. The real discipline lies in selecting the right initiatives, aligning them with strategy and capacity, and continuously optimizing the portfolio to deliver meaningful results.

To order A fish in your ear: Bol.

Recensie Het projectprotocol

Het projectprotocol – Projectmanagement voor de zorg van John van Rouwendaal vormt een uitgebreide en herschreven versie van Toonaangevend projectmanagement in de zorg – strategischer, eenvoudiger, behendiger van dezelfde auteur. Het boek volgt een algemene projectlevenscyclus met de fasen voorbereiding, initiatie, realisatie, borging en afsluiting.

Binnen deze fasen bespreekt de auteur verschillende instrumenten. De meeste instrumenten en templates komen ook terug in het eerdere boek, maar daar zijn ze geordend langs de lijnen strategischer, eenvoudiger en behendiger. In dit boek koppelt hij ze aan de projectfasering en voegt hij per instrument een voorbeeldcase en verdieping toe.

Voorbereidingsfase

In de voorbereidingsfase introduceert de auteur het zorg projectcanvas met de onderdelen aanleiding, doelen, resultaten, team, betrokkenen, planning, investering en aandachtspunten. Hij positioneert dit canvas als de meest fundamentele techniek om projecten eenvoudiger en overzichtelijker te managen. Het canvas dwingt teams om vanaf de start scherp te formuleren waarom zij het project uitvoeren en wat het concreet moet opleveren. In plaats van het canvas kan ook een projectvoorstel worden gebruikt. In dit hoofdstuk besteedt de auteur specifiek aandacht aan besluitvorming bij de verschillende faseovergangen. In de verdieping staat ‘begin bij jezelf’ centraal.

Initiatiefase

In de initiatiefase behandelt de auteur verschillende technieken om het projectplan vorm te geven. Naast bekende technieken uit het oorspronkelijke boek, zoals de waardenwaaier, het projectresultatenoverzicht (product breakdown structure), de planning en de ABAR-lijsten (zie de recensie Toonaangevend projectmanagement in de zorg), bespreekt hij ook de aanleidingvragenlijst, de relatieradar, de teamorganisatie en het investeringsoverzicht. De aanleidingvragenlijst helpt om de ‘waarom nu’-vraag te beantwoorden en kan ook dienen als prioriteringsmechanisme door vragen te wegen en op alle projecten toe te passen. Met de teamorganisatie beantwoordt hij de wie-vraag. De relatieradar (kernteam, betrekken, raadplegen, informeren) maakt inzichtelijk wie betrokken is en welke relaties in en rondom het project spelen. Hij gaat daarbij ook in op de communicatiematrix en verschillende soorten belangen en invloeden. Dit instrument vervangt de stakeholdermatrix en krachtenveldanalyse uit het oorspronkelijke boek. Het investeringsoverzicht geeft antwoord op de waarmee-vraag. In de verdieping komen de businesscase en het businessmodel aan bod.

Realisatiefase

In de realisatiefase voert het team de activiteiten uit die nodig zijn om de projectresultaten te realiseren. Het voortgangsrapport staat centraal en toont de behaalde en geplande resultaten, aandachtspunten en belangrijkste risico’s, wijzigingen, planning, bemensing, investering en verplichtingen, inclusief een status op tijd, geld en resultaat.

Borgingsfase

In de borgingsfase richt het team zich op het laten landen en verankeren van de projectresultaten in de permanente organisatie. Het borgingsrapport speelt hierbij een centrale rol. Dit rapport bevat onder andere de projectdoelstellingen en geeft per (deel)resultaat aan wie verantwoordelijk is en of tijd en budget beschikbaar zijn. In de verdieping gaat de auteur in op het omgaan met weerstand en bespreekt hij een interventiepallet.

Afsluitingsfase

In de afsluitingsfase sluit het team het project af, viert het de afronding en legt het de geleerde lessen vast. Het eindrapport toont welke doelstellingen en resultaten zijn bereikt, welke restpunten openstaan en bij wie deze zijn belegd, evenals de totale investering, bemensing, lange termijnverplichtingen en de geleerde lessen.

Bijlagen

In de bijlagen staan onder andere afdrukken van templates waarmee een projectplan kan worden opgebouwd. Daarnaast bevat het boek een hoofdstuk over projectportfoliomanagement dat letterlijk is overgenomen uit Toonaangevend projectmanagement in de zorg.

Conclusie

Het project protocol biedt een gestructureerde en fasegerichte uitwerking van bekende instrumenten voor projectmanagement in de zorg. Door de koppeling aan de projectlevenscyclus en de toevoeging van voorbeeldcases en verdieping maakt de auteur de toepassing concreet en praktisch. Het boek sluit daarmee goed aan bij organisaties die behoefte hebben aan houvast en standaardisatie in hun manier van werken. Tegelijkertijd blijft de inhoud grotendeels gebaseerd op eerder gepresenteerde technieken in het boek Toonaangevend projectmanagement in de zorg, waardoor de meerwaarde vooral zit in de ordening, verdieping en completere uitwerking per fase.

Bestellen Het projectprotocol: managementboek.nl

Samenvatting en recensie Toonaangevend projectmanagement in de zorg

Toonaangevend projectmanagement in de zorg – Strategischer, Eenvoudiger, Behendiger van John van Rouwendaal biedt concrete handvatten om projectmanagement in de zorg strategischer te positioneren, eenvoudiger in te richten en behendiger uit te voeren.

Het boek bestaat uit zeven hoofdstukken en diverse bijlagen met praatplaten en templates, zoals die binnen het Amsterdam UMC worden toegepast. Van Rouwendaal start met een duidelijke onderbouwing: projectmanagement in de zorg móét toonaangevend zijn om blijvend waarde toe te voegen in een complexe en dynamische omgeving.

Strategischer

Strategischer projectmanagement begint bij stevig projectportfoliomanagement. Bestuur, beheers en ondersteun het volledige projectportfolio actief. Voor onderzoeksprojecten maakt de auteur een bewuste uitzondering; deze projecten maken vaak deel uit van de permanente organisatie en worden doorgaans via subsidies gefinancierd.

Vervolgens beschrijft hij hoe je portfoliomanagement concreet inricht en uitvoert. Zie niet elke activiteit als een project. Stel heldere criteria vast, bijvoorbeeld op basis van omvang, benodigd budget en strategisch belang. Die selectie voorkomt versnippering en houdt de focus scherp.

Breng daarna alle lopende en voorgenomen projecten overzichtelijk in kaart. Registreer per project onder meer de naam, status, betrokken organisatieonderdeel, opdrachtgever, projectmanager, doelstelling of resultaat, prioriteit, fase, start- en einddatum, benodigde uren en belangrijkste risico’s. Zo creëer je transparantie en stuurinformatie.

De volgende stap is prioriteren. Hanteer daarbij duidelijke criteria, zoals strategische bijdrage, urgentie, benodigde investering (uren en geld), verwachte opbrengsten, beschikbaarheid van mensen en risico’s. Door expliciet te prioriteren, maak je keuzes zichtbaar en verdedigbaar.

Tot slot introduceert de auteur een projectportfoliocanvas. Dit canvas visualiseert de samenhang tussen visie, doelen, projecten (to do, doing, done), mensen en middelen, budget en randvoorwaarden. Daarmee verbind je strategie en uitvoering op één overzichtelijke plaat.

Eenvoudiger

Als eerste stap introduceert de auteur het zorgprojectcanvas met de onderdelen aanleiding, doelen, resultaten, team, betrokkenen, planning, investering en aandachtspunten. Hij positioneert dit canvas als de meest fundamentele techniek om projecten eenvoudiger en overzichtelijker te managen. Het canvas dwingt teams om vanaf de start scherp te formuleren waarom zij het project uitvoeren en wat het concreet moet opleveren.

Daarna licht hij een aantal basistechnieken toe die specifieke deelgebieden versterken. Hij past de 5W2H-methode toe (wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe en hoeveel) om plannen concreet te maken. Met SMART-doelen scherpt hij resultaten aan. De productdecompositiestructuur (PDS, vergelijkbaar met PRINCE2) helpt om producten logisch te structureren. Daarnaast bespreekt hij gerichte teamsamenstelling, de stakeholdermatrix, de krachtenveldanalyse en de balkenplanning als praktische stuurinstrumenten.

De waardenwaaier ondersteunt het beantwoorden van de waarom-vraag op het zorgprojectcanvas. Welk probleem lossen we op? Welke waarde creëren we? En voor wie doen we dat precies? Denk aan de ketenpartners, de organisatie, ondersteunende diensten, zorgprofessionals, patiënten en cliënten, familie en naasten, de omgeving, verzekeraars en de maatschappij. Door deze groepen expliciet te benoemen, maakt het team de maatschappelijke en organisatorische meerwaarde concreet.

Als alternatief voor de waardenwaaier zag ik bij een zorginstelling een aangepast projectcanvas dat het Institute for Healthcare Improvement-model Quintuple Aim gebruikte om verbeteringen te beoordelen. Dit model richt zich op vijf doelen: gezondheidswinst, ervaren kwaliteit van zorg, interne doelmatigheid, lagere zorgkosten en het ontzorgen van zorgprofessionals. De organisatie voegde een apart blok toe waarin zij per doel met een driepuntsschaal (-, -/+, +) de bijdrage van het project beoordeelde. Zo verbond zij elk initiatief expliciet aan strategische zorgdoelen.

Tot slot licht de auteur de ABAR-lijsten toe, vaak uitgewerkt in Excel. Deze lijsten bundelen de actielijst, besluitenlijst, aandachtspuntenlijst en risicolijst in één samenhangend overzicht. Daarmee ondersteunt hij strak en transparant projectmatig werken, zonder onnodige bureaucratie.

Behendiger

Toonaangevend projectmanagement in de zorg krijgt in het slotdeel vorm als behendiger projectmanagement – feitelijk agile projectmanagement. De auteur sluit aan bij het gedachtegoed van het Agile Manifesto en licht de onderliggende principes helder toe. Hij vertaalt sommige van deze principes direct naar de zorgpraktijk en beschrijft concrete technieken zoals het werken met een Minimum Viable Product (MVP), het inzetten van kanban en het prioriteren met MoSCoW. Daarmee stimuleert hij kortcyclisch werken, focus op waarde en het maken van scherpe keuzes.

Voortdurend verbeteren

In het laatste hoofdstuk introduceert Van Rouwendaal de O6-ontwikkelaanpak. Deze aanpak doorloopt zes stappen: ontdek verbeterpunten, organiseer alle betrokkenen, ontwerp oplossingen, onderneem actie, overwin weerstand en oogst én vier de baten. De auteur benadrukt daarmee dat verbeteren geen eenmalige exercitie is, maar een continu proces van leren en aanpassen.

Hij geeft bovendien een voorbeeld van een projectcanvas voor het organiseren van een projectmanagementtafel. Daarmee wil hij de prestaties van projectmanagers verbeteren en gezamenlijk leren faciliteren. Wat hier nog sterker had gekund, is het expliciet vastleggen en uitwisselen van geleerde lessen – zowel succesverhalen als mislukkingen. Juist dat versterkt het lerend vermogen van de organisatie.

Tot slot presenteert hij een voorbeeld van een projectportfoliocanvas voor een cluster van veranderinitiatieven die het projectportfoliomanagement moeten versterken. Daarmee rondt hij het boek af zoals hij begon: strategisch denken, eenvoudig organiseren en behendig uitvoeren – steeds met de zorgpraktijk als vertrekpunt.

Conclusie.

De voorgestelde handvatten zijn prima bruikbaar voor organisaties die aan het begin staan om projectmanagement te professionaliseren. De auteur biedt een overzichtelijke en samenhangende set van instrumenten waarmee zorgorganisaties direct aan de slag kunnen. Het zorgprojectcanvas, de basistechnieken zoals 5W2H, SMART en PDS, en de praktische overzichten met ABAR-lijsten zorgen voor structuur en transparantie zonder onnodige complexiteit toe te voegen.

Daarnaast versterkt de koppeling met portfoliomanagement het strategisch vermogen. Door projecten expliciet te toetsen op strategische bijdrage, urgentie, investering en risico’s, stimuleert de auteur het maken van scherpe keuzes. Het projectportfoliocanvas helpt om strategie, middelen en uitvoering visueel te verbinden. Daarmee ontstaat overzicht en bestuurlijke grip – een essentieel aandachtspunt in de zorg, waar middelen schaars zijn en belangen uiteenlopen.

De toevoeging van agile principes en technieken brengt de noodzakelijke wendbaarheid in. Door te werken met MVP’s, kanban en MoSCoW verschuift de focus van plannen naar waarde leveren. De O6-ontwikkelaanpak onderstreept bovendien dat verbeteren een continu proces is waarin organiseren, doen, weerstand overwinnen en baten realiseren samenkomen.

Het boek biedt geen radicaal nieuwe theorie, maar juist een praktische bundeling van beproefde inzichten, toegespitst op de zorgcontext. Voor organisaties die hun project- en portfoliomanagement nog aan het opbouwen zijn, vormt dit een toegankelijk en toepasbaar startpunt. Meer volwassen organisaties zullen minder vernieuwing vinden, maar kunnen het boek wel benutten als referentiekader of als hulpmiddel om het gesprek over strategisch, eenvoudig en behendig werken opnieuw te structureren.

Templates zijn te downloaden op het Nederlandse Zorg Projectmanagementmethodiek (NZpm): www.nzpm.nl

Bestellen Toonaangevend projectmanagement in de zorg: Managementboek