pass
- pass
- Het woord pass staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "pass" herkend door:
| 72 % | van de Nederlanders; |
| 67 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "pass" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ pass op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
pass
- onovergankelijk, overgankelijk voorbijgaan, passeren
- «He passed he car before him.»
- Hij passeerde de auto voor hem.
- «He passed he car before him.»
- onovergankelijk succes hebben, slagen
- overgankelijk slagen voor
- «He passed all his exams.»
- Hij is geslaagd voor al zijn examens.
- «He passed all his exams.»
- to pass the time
de tijd passeren
- pass away
- to pass away peacefully
vredig overlijden
- «Jim was taken ill and passed away peacefully on 28-02-11.»
- Jim werd ziek en overleed vredig op 28 feb 2011.
- «Jim was taken ill and passed away peacefully on 28-02-11.»