zenit
- ze·nit
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘toppunt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1595 [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zenit | - |
| verkleinwoord | - | - |
het zenit o
- (astronomie) het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
- Alleen in landen tussen beide keerkringen staat de zon soms in het zenit.
- (figuurlijk) hoogtepunt
- Hij was in het zenit van zijn roem.
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
- Het woord zenit staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "zenit" herkend door:
| 57 % | van de Nederlanders; |
| 72 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "zenit" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
zenit onbezield
onbezield zelfstandig naamwoord: zenit
- ze·nit