kano


- ka·no
de kano m
- rank bootje dat men door middel van een peddel voortbeweegt
- De groep voer met een kano op de wilde rivier.
- (voeding) een langwerpige, met amandelspijs gevulde koek
- [1] kanoën, kanovaarder, kanovaren, kajak, wildwatersport
- [2] rondo, gevulde koek
- Het woord kano staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "kano" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 96 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "kano" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be