Albanië

land in Europa

Albanië (Albanees: Shqipëria), officieel de Republiek Albanië (Albanees: Republika e Shqipërisë), is een land in Zuidoost-Europa. Het land ligt in het zuidwesten van de Balkan aan de Ionische en Adriatische Zee. Albanië grenst kloksgewijs aan Montenegro, Kosovo, Noord-Macedonië en Griekenland. De hoofdstad van Albanië is Tirana.

Republika e Shqipërisë
Kaart
Basisgegevens
Officiële taal Albanees
Hoofdstad Tirana
Regerings­vorm Parlementaire republiek met een meerpartijenstelsel (democratie)
Staatshoofd President Bajram Begaj
Regerings­leider Premier Edi Rama
Religie Islam 50,67%
Christendom 16%
Irreligie 13,82%
Atheïsme 3,15%
Oppervlakte 28.748 km²[1] (4,7% water)
Inwoners 2.335.930 (2026)[2] 107/km²
Bijv. naamwoord Albanees
Inwoner­aanduiding Albanees (m./v.)
Albanese (v.)
Overige
Motto Ti Shqipëri, më jep nder, më jep emrin Shqiptar.

(Jij Albanië, geeft me eer, je geeft mij de naam Albanees.)

Volkslied Himni i Flamurit
Munteenheid Lek (ALL)
UTC +1 (zomer +2)
Nationale feestdag 28 november
Web | Code | Tel. .al | ALB | 355
Voorgaande staten
Socialistische Volksrepubliek Albanië Socialistische Volksrepubliek Albanië1991
Detailkaart
Kaart van Albanië
Portaal  Portaalpictogram  Landen & Volken

Albanië werd in 1912 onafhankelijk van het Ottomaanse Rijk en is sinds 1991 een parlementaire republiek na de val van het communisme. De enige officiële taal in Albanië is Albanees. Het land heeft een oppervlakte van 28.748 km² en telt ruim 2,3 miljoen inwoners.

Albanië is lid van de Verenigde Naties, de NAVO, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de Raad van Europa, de Centraal-Europese Vrijhandelsassociatie, de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de Wereldhandelsorganisatie en de Organisatie voor Islamitische Samenwerking. Sinds 24 juni 2014 is Albanië kandidaat-lid van de Europese Unie.

Geschiedenis

bewerken
Zie Geschiedenis van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Het Illyrische koninkrijk onder koning Agron (250 v.Chr. - 230 v.Chr.)

Het gebied dat het huidige Albanië omvat werd in de oudheid bewoond door de Illyriërs, een Indo-Europese stam die zich in 650 v.Chr. territoriaal verenigde na het stichten van het Koninkrijk Illyrië. De eerste erkende koning van het rijk was Bardylis I. Na troonopvolgingen van verschillende Illyrische koningen bereikte het koninkrijk zijn grootste omvang tussen 250 v.Chr. en 230 v.Chr. onder koning Agron. Onder zijn heerschappij besloeg het koninkrijk het grootste deel van het westelijke gebied op de Balkan. Na de dood van Agron in 230 v.Chr., volgde zijn vrouw Teuta zijn heerschappijen op. Koningin Teuta breidde het gebied verder uit naar het zuiden, tot aan de Ionische Zee. Ten tijde van de Illyrische heerschappij werden ook enkele Griekse kolonies gesticht. In 229 v.Chr. verklaarde het indringende Romeinse Rijk de oorlog aan Illyrië. Vanaf 167 v.Chr. viel het gebied onder volledige Romeinse heerschappij na het verslaan van de Illyrische koning Gentius. In 395 viel het gebied onder Byzantijns bewind.

In de 7e eeuw volgde de Slavische expansie naar het Balkanschiereiland. Hoewel zij zich hoofdzakelijk buiten het huidige Albanië vestigden, werd het in de 9e eeuw geannexeerd door het Eerste Bulgaarse Rijk. In de 11e eeuw werden noordelijke gebieden van het huidige Albanië door Slavische stammen veroverd en geannexeerd aan Duklja. De stad Shkodër fungeerde als hoofdstad van dit vorstendom. De Byzantijnen zouden het gebied later terugveroveren.

Het vorstendom Arbër op zijn hoogtepunt onder prins Dhimitër Progoni (13e eeuw)

In het jaar 1190 stichtten de Albanezen, een Indo-Europees volk dat volledig was gekerstend ten tijde van hun eerste vermelding binnen het Byzantijnse Rijk, onder leiding van archont en stamvader Progon het vorstendom Arbër. Zijn zoons Gjin en later Dhimitër volgden zijn heerschappij op. Het vorstendom, met Krujë als hoofdstad, kwam geografisch overeen met het grootste gedeelte van het huidige Centraal-Albanië. Onder prins Dhimitër reikte het vorstendom tot het territoriale hoogtepunt. Na de val van de Progoni-dynastie in 1216 kwam het onder heerschappij van de Albanese edelen Grigor (1216–1236) en Golem (1252–1256). In 1272 ontstond het Koninkrijk Albanië na een personele unie tussen lokale Albanese edelen en het huis Anjou-Sicilië.

Na een relatief kleine uitbreiding naar Albanië van het Grootvorstendom Servië door het huis Nemanjić, met Shkodër en Dajç als belangrijkste nederzettingen, werd Albanië in de 14e eeuw volledig veroverd door het Keizerrijk Servië dat onder tsaar Stefan Dušan een regionale macht vormde op de Balkan. Na de val van het Servische rijk wist de Republiek Venetië gebieden in Noord-Albanië te bezetten.

Gedurende de late middeleeuwen volgden heerschappijen van meerdere Albanese dynastieën, zoals die van Muzaka, Thopia, Balsha, Shpata, Arianiti, Dukagjini en Kastrioti. De Albanese vorstendommen werden verspreid over het huidige Albanië en enkelen in gebieden van aangrenzende landen gesticht en afzonderlijk van elkaar geregeerd. In 1340 werd de prins van Berat Andrea II Muzaka benoemd tot despoot van Albanië na het verslaan van het Servische leger. Andrea II breidde het zuidelijk gevestigde vorstendom Muzaka uit naar gebieden in het huidige westen van Noord-Macedonië en het noorden van Griekenland. De prins Karl Thopia wist op diens beurt de laatste heerser van het huis Anjou-Sicilië te vedrijven en stichtte in 1368 het Prinsdom Albanië in de centrale gebieden. De dynastieën van Muzaka en Thopia volgden de heerschappijen tot halverwege de 15e eeuw op.

Fresco van het huis Kastrioti, heersers van Albanië van 1444 tot 1468

Een conflict tussen de adellijke families Thopia en Balsha leidde in 1385 tot een veldslag nabij Lushnjë. De prins Karl Thopia werd in deze door hem gewonnen veldslag gesteund door het Ottomaanse Rijk, dat steeds verder uitbreidde op de Balkan. Door de geallieerde overwinning claimden de Ottomanen ook heerschappij over Albanië en werd een Ottomaanse sandjak uitgeroepen. Deze werd erkend door de Albanese edelen in ruil voor lokale autonomie. Nadat het Ottomaans gezag een belastingwet invoerde, welke Albanese heersers dupeerden, volgde een opstand onder leiding van onder anderen de prinsen Gjon Kastrioti en Gjergj Arianiti. De reeks opstanden van 1432 tot 1436 werden door de Ottomanen neergeslagen.

Wandschildering van Skanderbeg die Albanese troepen aanvoert in een veldslag tegen het Ottomaanse leger

Op 2 maart 1444 werd de Liga van Lezhë gesticht, wat vaak beschouwd wordt als de bakermat van een territoriaal Albanië na de vereniging van alle Albanese vorstendommen. De prins Gjergj Kastrioti - bijgenaamd Skanderbeg - werd tijdens deze bijeenkomst in Lezhë gekroond tot vorst van Albanië en onder zijn bevel vocht de Liga van Lezhë een jarenlang durende oorlog tegen het Ottomaanse Rijk. Er volgde een succesvolle rebellie want van de 25 veldslagen kwamen de Albanezen 24 keer als winnaar uit de strijd tegen twee verschillende sultans, namelijk Murat II en Mehmet II. Na de dood van Gjergj Kastrioti in 1468 verzwakte de Albanese tegenstand onder prins Lekë Dukagjini en viel de Liga in het jaar 1479 na de belegering van Shkodër door sultan Mehmet II.

Kaart van de Liga van Lezhë, een alliantie van Albanese vorstendommen gesticht in 1444

Albanië zou sindsdien vier eeuwen lang geregeerd worden door het Ottomaanse Rijk. De Ottomaanse heerschappij had een grote invloed op de bevolking, zo bekeerden de Albanezen zich tussen de 17e en 18e eeuw in groten getale van het christendom naar de islam; dit mede omdat de Albanezen in tegenstelling tot andere volkeren niet over een eigen autocefale kerk beschikten en zij destijds onder de Servische en Griekse patriarchen vielen en moslims gedurende de Ottomaanse heerschappij verschillende privileges genereerden.

Albanese vilajets tijdens de Ottomaanse heerschappij

Als gevolg van bekering naar de islam kregen de Albanese edelen, naast Albanië, ook heerschappij over gebieden in het huidige Kosovo, Montenegro, Servië, Noord-Macedonië en Griekenland. Dit betroffen de semi-autonome Albanese pasjaliks geregeerd door onder anderen de Pasja's Kara Mahmud Bushati en Ali Pasja. Later werden deze pasjaliks samengevoegd tot het Albanese vilajet. Binnen de Ottomaanse politiek waren er ook enkele Albanese grootvizieren en vooraanstaande militairen. De Ottomaanse regering had echter weinig interesse in het ontwikkelen van Albanië, het had op vrijwel alle facetten een beduidende achterstand op diens buurlanden. Aanspraak met andere delen van Europa was er voor Albanië nauwelijks nadat het land overwegend islamitisch was geworden.

De Ottomaanse heerschappij bracht ook een zekere onderdrukking van de Albanese identiteit mee; lange tijd werd de Albanese taal in het openbaar en in het onderwijs door de Ottomanen verboden. In de 19e eeuw ontstonden er in Albanië opstanden als het gevolg van de nationale ontwaking. Een belastingverhoging en het ontwapenen van de Albanese bevolking waren de grootste redenen voor de opstand. In deze periode werd het Albanees nationalisme gesticht en streefden de Albanezen naar een eigen culturele, sociale en politieke natiestaat. Dit paramilitaire offensief duurde van 1833 tot 1912.

Ismail Qemali (1844-1919), eerste staatshoofd van het moderne Albanië

Het huidige Albanië verklaarde zich op 28 november 1912 onafhankelijk van het Ottomaanse Rijk. In december van dat jaar ontstond de Voorlopige regering van Albanië. Het ging verder als onafhankelijk Albanië met Ismail Qemali als eerste staatshoofd. Vlorë werd de eerste hoofdstad van het moderne Albanië, dat in juli 1913 door de internationale gemeenschap werd erkend als soevereine staat.

De nederlaag van het Ottomaanse leger gedurende de Balkanoorlog had voor Albanië nadelige gevolgen. De Albanezen hadden, in tegenstelling tot de Serviërs en Grieken in de vorm van het Keizerrijk Rusland, geen bondgenoot. Nadat de Ottomanen werden verslagen door een militaire alliantie van onder anderen Servië, Montenegro en Griekenland begonnen deze landen gebieden van het net opgerichte Albanië te bezetten; Servië annexeerde het noordoostelijke en centrale gebied van Albanië, Montenegro het noordwesten en Griekenland de zuidelijke regio's. De rivaliserende legers richtten zich hierbij ook op de Albanese burgerbevolking.

Kaart van Albanië in 1913 (wit); de lichtbruine gebieden moest het afstaan aan de buurlanden, zo bepaalde de Vrede van Londen

Hoewel Albanië tijdens het conflict de stad Shkodër na een belegering terugveroverde, en de kust aan Adriatische Zee behield na de Slag om Lumë, ten koste van respectievelijk Montenegro en Servië, bepaalde de Vrede van Londen op 29 juli 1913 de landsgrenzen op de Balkan. De onafhankelijkheid van Albanië werd erkend maar het moest aanzienlijk stuk grondgebied afstaan aan Servië, Montenegro en Griekenland waardoor een groot deel van de etnisch Albanese bevolking buiten de grenzen van het nieuwe Albanië kwamen te wonen.

Italië en Oostenrijk-Hongarije steunden de onafhankelijkheid van Albanië, vooral vanwege de wens om de weg voor Servië naar de Adriatische Zee te kunnen blokkeren. De bondgenoten van de Serviërs, Rusland en Frankrijk, beschouwden Albanië als een door moslims gedomineerde staat in Europa en waren mede hierom tegen uitbreiding van Albanië en voorstander van een nog kleiner Albanië dan die in de huidige vorm.

De grootmachten wilden de Duitse prins Wilhelm zu Wied, familie van Wilhelmina der Nederlanden, in 1913 op de troon van Albanië vanwege politieke stabiliteit in de regio. De Albanese premier Ismail Qemali steunde deze aanstelling. Aanvankelijk sloeg prins Wilhelm zu Wied het aanbod echter af maar onder druk ging hij akkoord waarna in februari 1914 het vorstendom Albanië ontstond. De steden Durrës en later Lushnjë fungeerden als hoofdstad. Onder de Duitse vorst raakte Albanië in anarchie na opstanden van een deel van de bevolking die tegen het idee van een een buitenlandse staatshoofd waren. Nederland stuurde militairen; de eerste vredemissie van Nederland. Deze actie mislukte en de Nederlandse majoor Thomson kwam om het leven. Voor hem zijn standbeelden opgericht in Groningen, Den Haag en Durrës.

Bezetting van Albanië (1914) tijdens de Eerste Wereldoorlog

Nadat vorst Wilhelm zu Wied het land ontvluchtte wilden verschillende staten aanspraak maken op Albanië. Gedurende de Eerste Wereldoorlog trokken de Servisch-Montenegrijnse troepen zich uit Albanië terug nadat deze werden verslagen door Oostenrijk-Hongarije. Als gevolg hiervan bezette Oostenrijk-Hongarije het grootste gedeelte van Albanië tot 1918. Het Koninkrijk Bulgarije bezette van 1915 tot 1917 het oosten van Albanië. Tijdens deze bezetting werd de bevolking door de Bulgaren bewapend om tegen het Servische leger te vechten. Frankrijk bezette de steden Korçë en Pogradec. In Zuid-Albanië wist het Italiaanse leger de Grieken te verdrijven en het gebied enige tijd te bezetten. In 1920 trokken de Italianen zich terug.

Tijdens de Vredesconferentie van Parijs, na de Eerste Wereldoorlog, werd het bestaan van Albanië betwist en was er weer sprake om delen van Albanië te verdelen onder Griekenland, Italië en het net opgerichte Joegoslavië. De Amerikaanse president Woodrow Wilson voorkwam dit en opperde dat Albanië onafhankelijk zou moeten zijn. In 1920 werd Tirana de hoofdstad van Albanië om de eenwoording van het noorden en het zuiden van het land te bevorderen.

In 1925 werd Albanië een republiek en greep Ahmet Zogu (Zog I) de macht. In 1928 riep hij het land uit tot een koninkrijk. Koning Zog I herstelde de monarchie maar zou uiteindelijk de enige staatshoofd afkomstig uit het huis Zogu blijven. Onder bewind van koning Zog I onderging Albanië een golf van modernisatie en verstedelijking met steun van Italië. Het Albanese leger had eveneens sterke Italiaanse invloeden. Van 1939 tot 1943 annexeerde Italië het gebied na de Italiaanse invasie van Albanië en werd het Koninkrijk Albanië een protectoraat van het Koninkrijk Italië, geregeerd door Victor Emmanuel III. Het Albanees koningshuis ging na de Italiaanse invasie in ballingschap.

Koning Zog I van Albanië (1895-1961)

Gedurende het begin van de 20e eeuw ontstonden er grensgeschillen tussen Albanië en Griekenland over de streek Epirus. De Griekse minderheid riep de regio, welke deels in Zuid-Albanië ligt, eenzijdig onafhankelijk van Albanië. De jure bleef het echter onderdeel van Albanië nadat de Grote mogendheden Epirus opsplitse in Noord- en Zuid-Epirus. In 1940 viel het Albanese leger, onder Italiaanse commando, Griekenland aan. Een Griekse tegenaanval leidde er toe dat de regio Noord-Epirus kortstondig onderdeel werd van Griekenland.

In april 1941 werd Noord-Epirus na de Slag om Griekenland weer onderdeel van Albanië. Ook gebieden van Joegoslavië met een aanzienlijke Albanese bevolking werden verenigd aan Koninkrijk Albanië, dit waren het westen van Noord-Macedonië, het oosten van Montenegro en het grootste deel van het huidige Kosovo. Tijdens de Tweede Wereldoorlog begon Nazi-Duitsland het land in september 1943 te bezetten en kondigde vervolgens later aan dat het de onafhankelijkheid van Albanië zou erkennen, mits Albanië een neutrale staat zou worden. Het duurde echter tot november 1944 tot de Duitse troepen Albanië zouden verlaten, hierna viel Albanië weer onder bewind van het Koninkrijk Italië. In 1946 werd Albanië na de onafhankelijkheidsoorlog bevrijd van de asmogendheden.

Kaart van Albanië (1943) tijdens de Italiaanse en Duitse bezetting gedurende de Tweede Wereldoorlog

Gedurende de Tweede Wereldoorlog collaboreerden enkele nationalistische bewegingen zoals de Balli Kombëtar, de SS Skanderbeg-divisie en de Vulnetari met het regime van Nazi-Duitsland. Het motief hiervoor was om het irredentistisch concept van Groot-Albanië te kunnen bewerkstelligen. Tegenstanders van deze millities waren de communistische Albanese partijen, de Joegoslavische partizanen, de Servische Četniks en de Nationaal Republikeinse Griekse Liga. Ook de niet-Albanese burgerbevolking, hoofdzakelijk de Servische, moest het ontgelden toen de Albanese millities er naar streefden hen uit Kosovo te verdrijven. In juni 1942 kondigde de premier van het Koninkrijk Albanië, Mustafa Kruja, vervolgingen op Servische burgers aan. Ongeveer 100.000 Serviërs werden uit Kosovo ontheemd. Gedurende dezelfde periode probeerden paramilitaire Çamëria-Albanezen in Zuid-Epirus de Griekse regio te annexeren aan het koninkrijk Albanië en richtten zij zich hierbij ook op de lokale Griekse bevolking.

Als gevolg van partij kiezen voor de asmogendheden werden de nationalistische guerrillabewegingen kort na de oorlog verslagen door het Albanese Volksleger. De leden van deze bewegingen werden geëxecuteerd of gevangengehouden. Ook ontvluchtten vele leden het land.

Communist Enver Hoxha (1908-1985)

Na de Tweede Wereldoorlog werd Albanië een satellietstaat van de Sovjet-Unie. Enver Hoxha werd de nieuwe premier van het in 1946 opgerichte Volksrepubliek Albanië. Hoxha had nauwe banden met Jozef Stalin, voor wie hij bewondering had. Hoxha maakte van Albanië een atheïstische staat, verbood het praktiseren van religie en isoleerde het land volledig. Plaatsnamen die naar religie verwezen werden gewijzigd, ouders moesten voor de naam van hun baby kiezen uit een lijst met goedgekeurde (Albaneestalige) namen; religieuze namen werden geweerd. Honderden kerken en moskeeën werden tijdens zijn regime gesloten en gesloopt.

Hoxha botste vaak met de Joegoslavische president Josip Broz Tito. In het destijds Joegoslavische Kosovo genoot Hoxha onder de Albanese bevolking hoge populariteit vanwege het bewaken van de Albanese cultuur aldaar. De spanningen tussen Albanië en Joegoslavië liepen enige tijd hoog op waarna Albanië veel energie stak in het Albanese Volksleger (60.000 actieve soldaten; honderdduizenden reservisten). Het arsenaal aan vuurkracht werd geleverd door Hoxha's bondgenoten uit de Sovjet-Unie en China. Hoxha bouwde veel bunkers in het land en legde wapendepots aan. Op twee grensconflicten na, bleef een invasie van Tito, die Albanië graag als zevende republiek wilde inlijven bij Joegoslavië, uit.

Na de dood van Stalin werd de band met de Sovjet-Unie minder en ontwikkelde Albanië banden met de Volksrepubliek China. In deze periode kende het land een toenemende industriële beschaving, verstedelijking en economische groei die leidde tot een hogere levensstandaard. Ook op het gebied van onderwijs maakte Albanië stappen en werd analfabetisme geminimaliseerd. In 1978 zette China alle hulp aan Albanië stop, waardoor het land in de ontwikkeling begon te stagneren. In 1996-1997 verviel het land korte tijd in anarchie ten gevolge van een financiële crisis, veroorzaakt door grootschalige ponzifraude.

In die periode vond in het destijds nabijgelegen Joegoslavië een gewapend conflict plaats in Kosovo tussen Joegoslavische strijdkrachten en de Albanese guerrillaorganisatie UÇK. Albanië raakte zelf betrokken bij de Slag bij Košare. Het Albanese leger coördineerde tijdens deze missie luchtaanvallen in samenspraak met NAVO-opperbevelhebber Wesley Clark.

Edi Rama, premier van Albanië sinds 2013

Na verkiezingen in 1991 kwam er na 40 jaar een einde aan het communisme in Albanië. Sindsdien is Albanië een parlementaire democratie. Albanië werd sindsdien lid van verschillende internationale organisaties, waaronder van de NAVO in april 2009. Sinds juni 2014 is het kandidaat-lid van de Europese Unie.

Sinds september 2013 is Edi Rama de premier van Republiek Albanië, waarna hij drie keer herkozen werd door de Albanese bevolking tijdens de verkiezingen van 2017, 2021 en 2025. Sinds 2022 is Bajram Begaj president van het land.

Sinds 23 mei 2026 zijn er grootschalige protesten in het land tegen een gepland luxe resort van de familie Trump, maar ook tegen corruptie en de achteruitgang van de democratie in het land, de zogenaamde Flamingorevolutie.

Geografie

bewerken
Satellietfoto van Albanië

Albanië ligt in het zuidwesten van het Balkanschiereiland en grenst aan Montenegro, Kosovo (al erkent Servië de Kosovaarse onafhankelijkheid niet en beweert het te grenzen aan Albanië), Noord-Macedonië en Griekenland. Het heeft een oppervlakte van 28.748 km² en is ruw en bergachtig, behalve de vruchtbare Adriatische kust.

"Maja e Çikës" in Zuid-Albanië

De hoogste bergen zijn te vinden in de Albanese Alpen, in het noorden van het land, het Korabgebergte in het oosten, het Pindosgebergte in het zuidoosten, het Keraunisch Gebergte in het zuidwesten en het Skanderbeggebergte in het centrum van het land. De Korab (2764 m), op de grens met Noord-Macedonië, is het hoogste punt van het land.

Rivier de Kir in Noord-Albanië

De belangrijkste rivieren van Albanië zijn de Drin, de Mat, de Shkumbin, de Vjosë en de Seman, maar de meeste zijn onbevaarbaar. De grootste meren zijn het Meer van Shkodër, het Meer van Ohrid en het Prespameer, alle ten dele buiten Albanië. Meer dan een derde van het land bestaat uit bossen en moerassen, meer dan een derde is weiland en slechts ongeveer een vijfde is gecultiveerd.

Albanië is niet rijk aan eilanden. Het land telt een tiental kleine onbewoonde eilanden voor de kust, plus een aantal nog kleinere eilanden in zijn meren. Het grootste eiland is Sazan, dat aan de ingang van de Golf van Vlorë gelegen is.

Zicht op het Albanese eiland Sazan

Klimaat

bewerken

Het kustklimaat is typisch mediterraan, met hete, droge zomers en milde, natte winters. Het bergachtige binnenland, vooral in het noorden, heeft strenge winters en milde zomers.

Steden (bashki)

bewerken
Zie Tabel van Albanese steden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Zicht op Tirana, de hoofdstad en veruit de grootste stad van Albanië

De hoofdstad Tirana is met 557.422 inwoners (2011) veruit de grootste stad van het land. In het prefectuur Tirana woont, met zo'n 900.000 inwoners (2021), ongeveer 32,2% van de totale bevolking van Albanië.

Durrës, dat de grootste haven van Albanië heeft en ook het nationale spoorwegknooppunt is, is de tweede stad (175.110 inwoners). Andere grote steden (bashki) zijn respectievelijk (inwoneraantal volgens de volkstelling van 2011):

  1. Elbasan (141.714)
  2. Shkodër (135.612)
  3. Fier (120.655)
  4. Vlorë (104.827)
  5. Kamëz (104.190)

Archeologische plaatsen

bewerken

Bezienswaardigheden

bewerken

Demografie

bewerken
Zie Bevolking van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Bevolkingsontwikkeling van Albanië

Albanië kan vanuit cultureel, historisch en geografisch oogpunt worden beschouwd als een typisch Balkanland, maar onderscheidt zich in een aantal opzichten van zijn naaste buren. Zo grenst het land, met uitzondering op Griekenland aan de voormalig-Joegoslavische landen; waar het niet-slavische Albanië geen onderdeel van was, is de islam met 50,67% de dominerende godsdienst, al maakt religie onder de etnische Albanezen weinig onderscheid en verenigen zij zich door dezelfde nationale identiteit. Verder neemt de Albanese taal binnen de Indo-Europese taalfamilie een aparte positie in. Mede door het feit dat het land vlak na de Tweede Wereldoorlog een streng, communistisch regime had werd het van zijn buren geïsoleerd, waardoor ook de etnische homogeniteit werd behouden.

Straatbeeld in Tirana (2017)

Etniciteit

bewerken
Etnische samenstelling in Albanië (2011)

Albanië telt 2.335.930 (2026) inwoners. De meerderheid van de bevolking is etnisch Albanees (91%). De grootste etnische minderheid in Albanië zijn de Grieken met 1% van de totale bevolking. De Roma-bevolking vormt met 0,9% na de Griekse, de grootste etnische minderheid. Erkende etnische minderheden in Albanië zijn verder Bulgaren, Macedoniërs, Montenegrijnen, Bosniakken, Serviërs en Vlachen.

Albanezen op de Balkan

bewerken

Mede door het feit dat Albanië in 1913 tijdens de Vrede van Londen veel grondgebied moest afstaan aan de buurlanden wonen er meer Albanezen buiten de grenzen van het huidige Albanië dan er binnen, hoewel Albanië, en Kosovo, de enige landen zijn met een etnisch Albanese meerderheid. In 2023 woonden er ongeveer 2,2 miljoen etnische Albanezen in Albanië terwijl dat er in de buurlanden Montenegro, Kosovo, Noord-Macedonië en Griekenland er gezamenlijk ongeveer 2,5 miljoen zijn.

Kaart van Albanië en etnische Albanezen buiten de landsgrenzen

In Kosovo vormen Albanezen met ruim 90 procent van de bevolking de etnische meerderheid. In 2008 riep Kosovo de onafhankelijkheid uit van Servië, die door Servië niet wordt erkend. Kosovo wordt erkend door 110 van de 193 VN-lidstaten.

Tevens is 25% van de bevolking van Noord-Macedonië etnisch Albanees (2002). Daarnaast een aanzienlijk aantal in Griekenland (Epirus) en kleine aantallen in Montenegro en Servië (afgezien van Kosovo). Sinds de Turkse verovering wonen de Arbëreshë in Zuid-Italië, eveneens van Albanese afkomst.

Diaspora

bewerken

De moderne Albanese diaspora is grotendeels gevormd sinds 1991, na de val van het communisme in Albanië. Grote Albanese gemeenschappen zijn woonachtig in Italië, Duitsland, Zwitserland, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

Taal in Albanië.

In Albanië is het Albanees de enige officiële taal. Het Albanees is een Indo-Europese taal zonder enige nauwe verwanten. De taal is verdeeld over twee dialecten: het Gegisch (Noord- en Centraal-Albanië) en het Toskisch (Zuid-Albanië). Dit zijn verschillende dialecten van het Albanees oorspronkelijk gesproken door de twee Albanese stammen, de Gegen en de Tosken. Het Toskisch wordt beschouwd als de standaardvorm van het Albanees en is daarom de ambtelijke taal van het land. Het Albanese alfabet telt 36 letters en gebruikt het Latijns schrift.

Vanwege de Griekse minderheid in Zuid-Albanië is het Grieks daar een veelgesproken taal. Het Grieks, Aroemeens en het Macedonisch zijn in Albanië een erkende minderheidstaal. Verder spreekt een gering deel van de bevolking Servo-Kroatisch vanwege de kleine Slavische minderheid in Noord-Albanië dichtbij de grens met Montenegro.

Volgens recente peilingen is 40% van de bevoking de Engelse taal machtig en 27,8% het Italiaans.[3]

Religie

bewerken
Verspreiding per religie in Albanië (1900)

De dominerende godsdiensten in Albanië bij de volkstelling van 2023 waren de islam: 50,67%, het rooms-katholicisme: 8,38%, de oosters-orthodoxe kerk: 7,22%, irreligieus: 13,82% en het atheïsme: 3,55%.[4]

De religieuze voorkeur verschilt per bevolkingsgroep, zo zijn de meeste etnische Albanezen moslim met een katholieke en orthodoxe minderheid. In Albanië is de grootste minderheid Grieks, zij hangen voornamelijk de orthodoxe kerk aan net als de kleinere gemeenschappen Slavische volkeren in Albanië. Van de Roma's verschilt de religieuze voorkeur.

Cultuur

bewerken

Vlag van Albanië

bewerken

De vlag van Albanië bestaat uit een volledig rood veld met daarop een tweekoppige zwarte adelaar. Het verwijst naar het wapen van het middeleeuwse Albanese adellijk geslacht Kastrioti. De vlag werd in 1444 gebruikt als wapen van de Liga van Lezhë, een militaire alliantie van Albanese vorstendommen tegen het Ottomaanse Rijk.

Vlag van de Liga van Lezhë (1444)

Na de Albanese onafhankelijkheid van het Ottomaanse Rijk in 1912 werd in de stad Vlorë een donkerrode vlag met een zwarte adelaar aangenomen als vlag van de voorlopige regering van Albanië. Hierna werd de vlag regelmatig gewijzigd en verschilde de kleur rood en de vorm van de adelaar een aantal keer. De huidige vlag werd op 7 april 1992 aangenomen, en in 2002 werd het donkerrode veld vervangen door een lichtrood veld.

Vlag van het moderne Albanië (2002)

Het rood staat voor moed, kracht en bloed dat is vergoten voor de Albanese etniciteit. De zwarte adelaar verwijst naar de betekenis van het land in eigen taal Shqipëria, wat in het Albanees 'land van de adelaar' betekent.[5]

Etymologie

bewerken

Het eerste Albanese vorstendom (1190), het vorstendom Arbër, werd door de Albanezen "Arbëria" genoemd. Tot de 17e eeuw noemden Albanezen zichzelf, afhankelijk van Toskë of Gegë, "Arbëror" of "Arbën", daarna werd de term "Shqiptar" aangenomen. Het woord "Shqiponja" betekent in het Albanees "adelaar" en de term "Shqipëria" betekent land van de adelaar. De benaming van Albanië in het standaard-Albanees (Toskisch) is "Shqipëria"; echter wordt in een bepaalde vorm "Shqipëri" gebruikt. In het Gegisch is dit "Shqipnia" en in bepaalde vorm "Shqipni". De officiële benaming van het land is "Republika e Shqipërisë", letterlijke vertaling: "de Republiek van Albanië".

De internationale term "Albania," afgeleid vanuit het middeleeuws Latijn, verwijst naar de Illyrische stam Albanoi die het gebied in de oudheid regeerden.

Volkslied

bewerken

Sinds de onafhankelijkheid in 1912 is de "Himni i Flamurit" (volkslied van de vlag) het officiële volkslied van Albanië. De tekst werd geschreven door de Albanese dichter Aleksandër Stavre Drenova. De muziek van het volkslied werd gecomponeerd door de Roemeense componist Ciprian Porumbescu.

Identiteit en traditie

bewerken

De ruime meerderheid (91%) van de bevolking in Albanië is etnisch Albanees. De Albanezen spreken Albanees, een Indo-Europese taal zonder nauwe verwanten. De meeste religieuze Albanezen zijn islamitisch, gevolgd door een aanzienlijke christelijke minderheid. Alhoewel Albanezen doorgaans religie niet beschouwen als onderdeel van hun nationale identiteit en zij zich verenigen door de Albanese etniciteit. Religieuze opvattingen van Albanezen in Albanië en etnische Albanezen buiten Albanië kunnen enigszins verschillen vanwege het communistische regime van de Volksrepubliek Albanië gedurende de late 20e eeuw.

De oorsprong van Albanezen ligt volgens de meeste historici bij de Illyriërs, Thraciërs of Daciërs; volkeren die gedurende de oudheid op de Balkan leefden. Sindsdien volgden er verschillende heerschappijen van buitenlandse beschavingen op wat nu Albanië is; zoals Griekse, Romeinse, Byzantijnse, Bulgaarse, Servische, Venetiaanse en Ottomaanse.

Traditioneel geklede Albanese mannen in Skrapar

In de huidige tijd zijn etnische Albanezen verdeeld over twee stammen: de Gegen en de Tosken. De Gegen zijn inheems in noord- en centraal-Albanië, in gebieden boven het Shkumbinrivier. Fysieke kenmerken zijn doorgaans een bovengemiddelde lichaamslengte, een lichte huid en een prominente neus. Zij worden beschreven als een Dinarisch type. De Toskische Albanezen, inheems onder het Shkumbinrivier, hebben doorgaans een gemiddelde lengte en meer pigment in huid en haar en hebben een Mediterraan uiterlijk.[6]

Hoewel de sociale en culturele verschillen in de moderne tijd grootendeels vervaagd zijn, was het verschil tussen de twee stammen van oudsher de patrilineariteit die onder Gegen nog relatief vaak werd nageleefd (de kanun), in tegenstelling tot de "progressievere" Tosken, mede vanwege de snellere ontwikkelingen van de Toskische nederzettingen.

Beide stammen bekeerden zich tijdens de Ottomaanse heerschappij meerendeels tot de islam. De christelijke minderheden verschillen in stroming: de noordelijke Gegen zijn rooms-katholiek vanwege de historische invloed van de Republiek Venetië en de zuidelijke Tosken werden beïnvloedt door de Grieks-Orthodoxe Kerk. Sinds 1907 is er een autocefale Albanees-Orthodoxe Kerk.

De traditionele klederdracht van beide stammen verschilt enigszins. Een onderdeel van de klederdracht is bij beide stammen echter wel de "Qeleshe"; een opvallende witte hoed, gemaakt van wol. De hoed heeft bij de Tosken een wat langer en rechthoekige vorm.

Albanese voor- en achternamen

bewerken

De Albaneestalige voornamen hebben vaak een verwijzing naar de Illyriërs, verder zijn ook islamitische of christelijke voornamen in Albanië gebruikelijk. In Albanië zijn daarnaast, anders dan de Albanese gemeenschappen in bijvoorbeeld Kosovo en Noord-Macedonië; westerse voornamen populair. Dit mede als gevolg van de secularisatie waar Albanezen in Albanië tijdens het communisme mee te maken hadden, maar ook vanwege (de wens van) emigratie onder een groot deel van de bevolking en het veelvoorkomende Pro-Amerikaanse sentiment.

Albanese achternamen eindigen meestal op "-i" of "-aj" en zijn verkleinvormen die duiden op "zoon van" of "afstammeling van". Voorbeelden zijn de achternamen "Dervishi" of "Dervishaj" (zoon/afstammeling van Dervish), "Murati" of "Murataj" (zoon/afstammeling van Murat) en "Simonaj" of "Simoni" (zoon/afstammeling van Simon).

Volkshelden

bewerken
Standbeeld van Gjergj Kastrioti (Skanderbeg) in de hoofdstad Tirana. Skanderbeg wordt beschouwd als de nationale volksheld van de Albanezen.

De nationale volksheld van Albanië is Gjergj Kastrioti Skanderbeg, naar wie de vlag en het wapen van Albanië verwijzen. Skanderbeg wist medio de 15e eeuw alle Albanese edelen te verenigen en voor het eerst een territoriaal Albanië te stichten. Skanderbeg leidde tussen 1444 en 1468 de Albanese troepen tegen het Ottomaanse Rijk en wist in 25 veldslagen 24 overwinningen te behalen. Ismail Qemali en Isa Boletini worden beschouwt als de grondleggers van het moderne Albanië dat in 1912 onafhankelijk werd van het Ottomaanse Rijk.

De meeste historische Albanese figuren worden geëerd en belicht in de vele musea en bezienswaardigheden in Albanië. Het nationale museum staat in de hoofdstad Tirana.

Historische personen van etnisch Albanese afkomst waren onder andere de katholieke zuster Moeder Teresa, geboren als Anjezë Gonxha Bojaxhiu. Ze won in 1979 de Nobelprijs voor de Vrede en werd in 2016 heilig verklaard, Paus Clemens XI, van 1700 tot 1721 de paus van de rooms-katholieke kerk en Mohammed Ali van Egypte, een Ottomaanse politicus die het moderne Egypte stichtte.

De populairste sport in Albanië is voetbal. De Albanese voetbalbond werd in 1930 opgericht. Het nationale elftal kwalificeerde zich tot op heden voor twee eindtoernooien, het EK 2016 in Frankrijk en het EK 2024 in Duitsland. De hoogste voetbalcompetitie in Albanië is de Kategoria Superiore. KF Tirana is met 26 landstitels de succesvolste club gevolgd door FC Dinamo City (18 landstitels) en Partizan Tirana (17 landstitels). Vllaznia Shkodër, opgericht in 1919, is de oudste voetbalclub van het land.

Albanees voetbalelftal (2016)

De clubs die Albanië in UEFA-hoofdtoernooien hebben vertegenwoordigd zijn KF Tirana (Europacup I en Europacup II), Partizan Tirana (Europacup I, Europacup II en UEFA Cup), Flamurtari Vlorë (UEFA Cup) en Vllaznia Shkodër (Europacup II).

Sinds de opzet van de huidige toernooien, de UEFA Champions League, UEFA Europa League en UEFA Conference League, is Skënderbeu Korçë tot op heden de enige voetbalclub uit Albanië die deelnam aan een groepsfase. Het speelde in het seizoen 2015/16 en 2017/18 in de groepsfase van de UEFA Europa League.

Naast voetbal is volleybal een populaire sport in Albanië. Doorgaans wordt het vooral door vrouwen beoefend. Het vrouwenteam van Dinamo Tirana behaalde in 1980 en in 1990 de derde plaats van de CEV Champions League.

Sinds 1972 doet Albanië mee aan de Olympische Spelen. In 2006 kwam het voor het eerst uit op de Winterspelen. Albanië won tot op heden twee keer brons, beide keren op de Olympische Zomerspelen van 2024.

Op 25 mei 2022 organiseerde Albanië haar grootste sportevenement als eerste gastland van de UEFA Europa Conference League-finale, gespeeld in het Air Albania Stadion, Tirana. In 2027 zal het stadion ook decor zijn van de finale van het Europees kampioenschap voetbal onder 21. De UEFA wees Albanië en Servië aan als gastlanden van dit toernooi.

Albanese keuken

bewerken
Traditioneel Albanees eten geserveerd in Krujë

De Albanese keuken is een rijke en gevarieerde traditie die elementen uit zowel de mediterrane als de Balkan-keukens combineert. Deze keuken heeft zich door de eeuwen heen ontwikkeld door de invloeden van verschillende culturen en beschavingen, zoals de Grieken, Romeinen en Ottomanen. De basisprincipes van de Albanese keuken zijn het gebruik van verse, seizoensgebonden ingrediënten met veel nadruk op groenten, fruit, olijfolie en vis (vooral langs de kust). Vleesgerechten, zoals lamsvlees en varkensvlees, spelen ook een belangrijke rol en worden vaak bereid met lokale kruiden en specerijen.[7][8]

Typische gerechten in Albanië zijn onder andere fërgesë, een stoofpot van paprika, tomaten, uien en kaas; tavë kosi, een ovenschotel met lamsvlees, rijst en yoghurt; en byrek, een hartige taart gevuld met spinazie, feta en uien. Een andere variant is de byrek met rundvlees en uien. Ook het beroemde dessert baklava, gemaakt van deeg, noten en honing, is een voorbeeld van de invloed van de Ottomaanse overheersing op de Albanese keuken.[9][10][11]

De eetgewoonten in Albanië variëren afhankelijk van de regio, maar over het algemeen bestaat een traditionele maaltijd uit drie hoofdonderdelen: ontbijt, lunch en avondeten. Het ontbijt is meestal simpel en licht, met brood, boter, kaas, jam en yoghurt. Dit wordt vaak geserveerd met een kop thee of koffie. De lunch is de belangrijkste maaltijd van de dag, en kan bestaan uit vleesgerechten, verse salades en andere traditionele gerechten. Het avondeten is meestal lichter en bestaat vaak uit sandwiches of verschillende kleine hapjes afhankelijk van de seizoensgebonden ingrediënten die beschikbaar zijn.[7][8]

Gastvrijheid speelt een belangrijke rol in de Albanese cultuur en het is gebruikelijk om gasten uit te nodigen voor de lunch. Dit is een moment waarop families en vrienden samenkomen en genieten van de maaltijd. In Albanië wordt gastvrijheid als een grote deugd beschouwd. Daarnaast is het gebruikelijk om een bezoeker te verwelkomen met een maaltijd, soms zelfs zonder dat deze van tevoren wordt aangekondigd.[12]

Hoewel veel Albanezen de islam aanhangen, is het gebruikelijk om alcohol te drinken tijdens maaltijden. Dit komt doordat Albanië ondanks de islamitische meerderheid, een diverse culturele geschiedenis heeft waarin verschillende religies en gewoonten samenkwamen. Wijnproductie heeft een lange traditie in Albanië. Naast wijn wordt raki, een sterke brandewijn, vaak geserveerd als teken van gastvrijheid.[7][9]

Architectuur

bewerken
De wijk Mangalem in Berat

De architectuur van Albanië weerspiegelt de gevolgen van verschillende beschavingen die teruggaan tot de klassieke oudheid, maar is hoofdzakelijk terug te voeren naar de Byzantijnse en Ottomaanse invloeden.

Medio de 20e eeuw werden de meeste historische, vooral religieuze, gebouwen tijdens het communistische regime gesloopt toen Enver Hoxha van Albanië een atheïstische staat maakte. In Zuid-Albanië is echter nog veel van deze architectuur terug te zien, net als de (restanden) van de middeleeuwse kastelen. In Albanië staan overgebleven of nieuwgebouwde kerken en moskeeën vaak naast elkaar vanwege de religieuze tolerantie van de bevolking.

Flatgebouwen in Durrës

Tijdens het communisme werden veel flatgebouwen gebouwd met als doel een uniforme uitstraling te geven in de grote steden. Vanaf 2000 begon de kunstenaar en de toenmalige burgemeester van de hoofdstad Tirana, Edi Rama (later premier), de 'grauwe' stad levendige kleuren te geven. Dit moedigde andere grote steden aan, waarna de steden inmiddels gekenmerkt worden door felle kleuren en een speelse architectuur. Sinds de groei van de Albanese economie ervaren de gebieden rond Tirana en Durrës een relatief snelle stedelijke transformatie. In het centrum van Tirana staat enkele hoogbouw, zoals het "ABA Business Center", het "ETC European Trade Center", de "Twin Towers" en de "TID Tower". In het centrum staat sinds 2019 de Arena Kombëtare; een multifunctioneel stadion waar het nationale voetbalelftal haar thuiswedstrijden speelt.

Tirana wordt tevens gekenmerkt door de vele bouwwerken, welke onderdeel zijn van het plan om de stad nog meer te moderniseren.

Centrum van Tirana

Literatuur en kunst

bewerken

De Albanese priester Gjon Buzuku is de auteur van het eerste gedrukte boek in de Albanese taal (1555). Het verfijnde niveau van taal en spelling in dit boek ("Meshari") zouden het resultaat zijn van een nog ouder variant geschreven in het Albanees. Tot de belangrijkste dichters van de Albanese literatuur behoren verder onder andere Gjergj Fishta, Luigj Gurakuqi, Naim Frashëri, Theofan Noli en Ismail Kadare.

Borstbeeld van Gjon Buzuku

Kolë Idromeno wordt beschouwd als de eerste Albanese kunstenaar die zich wijdde aan realistische schilderkunst. Enkele andere vooraanstaande Albanese kunstenaren zijn Vangjush Mio, Sadik Kaceli en Ibrahim Kodra.

Onderwijs en wetenschap

bewerken
Universiteit van Tirana

Het onderwijs in Albanië wordt grotendeels door de staat gefinancierd. De leerplicht geldt van 6 tot 16 jaar. Het onderwijs bestaat uit drie fasen: het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs. In Albanië zijn er veertig universiteiten, de meeste zijn openbaar en staan gevestigd in en rond de hoofdstad Tirana.

Albanese volksmuziek is een belangrijk onderdeel van de nationale identiteit. Volksmuziek kan echter wel verschillen per gebied, in het noorden van Albanië leven de Gegen en in het zuiden de Tosken. Vaak is de boodschap wel hetzelfde en gaat het vooral over de nationale trots en het verenigen van een etnisch Albanië.

De muziekgenres Pop en R&B zijn populair in Albanië. Bekende artiesten in Albanië zijn onder andere Noizy, Mozzik, Don Xhoni, Butrint Imeri, Elvana Gjata, Bleona Qereti, Tayna en Dafina Zeqiri. Bekende internationale artiesten van Albanese afkomst zijn Dua Lipa, Ava Max, Rita Ora, Era Istrefi en Bebe Rexha.

De filmindustrie in Albanië is actief sinds 1897 een kende vanaf halverwege de 20e eeuw progressie. Sinds 1952 produceert het QKK (Qendra Kombëtare e Kinematografisë) de belangrijkste Albanese films. Sinds 2003 vindt in Tirana het "Tirana International Film Festival" plaats.

Bekende internationale acteurs van Albanese afkomst zijn John Belushi, Jim Belushi, Enver Gjokaj, Eliza Dushku, Arta Dobroshi en Masiela Lusha.

Media en televisie

bewerken

De Radio Televizioni Shqiptar (RTSH) is de publieke omroep van Albanië die de belangrijkste televisie- en radioprogramma's produceert. Andere populaire omroepen zijn Top Channel, Televizioni Klan en Vizion Plus. De zenders richten zich naast de Albanezen in Albanië ook op de etnische Albanezen in de omringende landen.

Feestdagen

bewerken

De nationale feestdag in Albanië is 28 november. Het land viert op die datum de onafhankelijkheid ten opzichte van het Ottomaanse Rijk.

Albanezen vieren het 100-jarig bestaan van Albanië (2012)

Ondanks de islamitische meerderheid worden kerst en oud en nieuw in Albanië gevierd. Vooral op oudjaarsavond komen families, ongeacht religie, in Albanië bijelkaar.

Albanië kent verder de volgende nationale feestdagen: "Zomerdag" (Dita e Veres; op 14 maart), "Dag van de Arbeid" (Një Maji; op 1 mei) en "Dag van Moeder Teresa" (Dita e Nënë Terezës; op 19 oktober).

Noroez (22 maart) is voor de moslims ook een nationale feestdag. Andere religieuze, zowel islamitische als christelijke, feestdagen zijn gerelateerd aan de maandkalender en veranderen van datum.

Politiek

bewerken

Politiek systeem

bewerken
Plenaire zaal van de Volksvergadering van Albanië.

Albanië is een republiek met een parlement dat uit één kamer bestaat, de Volksvergadering van Albanië (Kuvendi i Shqipërisë), waarvan de afgevaardigden via algemene verkiezingen voor de termijn van vier jaar worden gekozen. Het parlement kiest de president voor een termijn van vijf jaar, en de president benoemt de premier. De uitvoerende macht wordt uitgeoefend door een ministerraad die door de premier wordt benoemd en door de president wordt goedgekeurd.

De laatste parlementsverkiezingen in Albanië vonden plaats op 11 mei 2025. De sociaaldemocratische lijst van premier Edi Rama behaalde een duidelijke overwinning.

Staatshoofden

bewerken
Presidentieel paleis in Tirana.
Zie Lijst van staatshoofden van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Sinds 1991 heeft de staatshoofd van Albanië officieel de titel van president.

De voorgangers van Bajram Begaj als staatshoofd waren de volgende (sinds 1912):

Bestuurlijke indeling

bewerken
Zie Bestuurlijke indeling van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Albanië kent naast de centrale overheid ook andere bestuurslagen, territoriale onderdelen waar regels vastgesteld en/of beslissingen worden genomen over bepaalde gebieden en/of hun bewoners. Het betreft de volgende bestuurslagen:

Bestuurslagen[13][a]
centraal niveau prefectuurniveau lokaal niveau
Republiek Albanië
  • Republika e Shqipërisë
prefecturen[b]
  • qarku
gemeenten[c]
  • bashki
bestuurseenheden[d]
  • njësia administrative
  1. De aanduidingen zijn in de ambtstaal Albanees.
  2. De prefecturen zijn ingedeeld in districten (rrheti) zonder bestuurlijke of administratieve rol.
  3. In plaats van gemeente wordt ook wel de vertaling municipaliteit of stad gebruikt.
  4. In 2015 is de bestuursvorm gemeente (komunë) afgeschaft. Deze zijn binnen de nieuwe gemeenten opgevolgd door bestuurseenheden, met alleen gedeconcentreerde taken.

Albanese Strijdkrachten

bewerken
Zie Krijgsmacht van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Sinds de onafhankelijkheid van Albanië in 1912 heeft het land een eigen nationaal leger. Dit leger bestaat uit de generale staf van Albanië, de Albanese landmacht, de Albanese luchtmacht, de Albanese marine en het militair politiekorps van Albanië.

Militaire parade van het Albanese Volksleger (jaren 80)

Albanië trad in 2009 toe tot de NAVO. Het Albanese leger is sinds de toetreding bij de NAVO behoorlijk gemoderniseerd. Het krijgt naast extra financiële middelen van Duitsland, Italië en de Verenigde Staten ook steun in modernere wapens. Ook worden de Albanese soldaten getraind volgens de NAVO-richtlijnen. De dienstplicht in Albanië is in 2010 afgeschaft. De minimumleeftijd is 18 jaar.

Internationale betrekkingen

bewerken

Albanië is lid van de Verenigde Naties, de NAVO, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de Raad van Europa, de Centraal-Europese Vrijhandelsassociatie, de UNESCO, de Wereldhandelsorganisatie, de Wereldbank en de Organisatie voor Islamitische Samenwerking. Albanië is een van de oprichtende leden van de Unie voor het Middellandse Zeegebied. Sinds 2014 is het land kandidaat-lid van de Europese Unie.

In Tirana zijn 35 buitenlandse ambassades gevestigd, daarnaast zijn er over de rest van het land nog een viertal Griekse en Italiaanse consulaten verspreid. Albanië zelf onderhoudt 36 ambassades in het buitenland.

Economie

bewerken

Sinds 1926 is de Albanese lek de valuta in Albanië. De lek is onderverdeeld in 100 qindarkë. Er zijn munten van 1, 5, 10, 20, 50 en 100 lekë. De biljetten zijn van 200, 500, 1000, 2000 en 5000 lekë.

Zie economie van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Albanië is een land in ontwikkeling en behoort tot de tweede wereld.

Aan het begin van de 21e eeuw behoorde Albanië tot het armste land van Europa. Het land onderging na de jaren 90 de gevolgen van de val van het communisme, de Albanese anarchie en de massaemigratie van meer dan 800.000 personen. Sinds de eind jaren 10 groeit de economie van het land echter sterk vanwege het toenemende toerisme naar (hoofdzakelijk) de kust, maar ook vanwege de ontwikkeling en modernisering van de stedelijke gebieden van Tirana en Durrës.

Havenstad Durrës

De landbouw werd vroeger gesocialiseerd in de vorm van collectieve en staatslandbouwbedrijven, maar in 1992 was alle landbouwgrond geprivatiseerd. Tarwe en graan, katoen, tabak, aardappels en suikerbieten worden gekweekt en vee wordt gefokt. Albanië is rijk aan delfstoffen, in het bijzonder olie, bruinkool, koper, chroom, kalksteen, zout, bauxiet en aardgas. De chemische industrie, mijnbouw, landbouwverwerking en de vervaardiging van textiel, kleding, timmerhout en cement zijn de belangrijkste industriële sectoren. Het land heeft verscheidene hydro-elektrische installaties.

De buitenlandse handel geschiedt voornamelijk via de zee. De uitvoer van Albanië bestaat voornamelijk uit de natuurlijke rijkdommen en levensmiddelen en de invoer vooral uit machines, andere industrieproducten en consumptiegoederen. De belangrijkste handelspartners zijn Italië, Griekenland, Turkije, Duitsland en China. In de vroege jaren negentig werd Albanië lid van het Internationaal Monetair Fonds en van de Wereldbank.

Economische cijfers (2013)

bewerken
  • Munteenheid: lek (ALL) (100 qindarka); koers: ALL 1 = EUR 0,0075 (2017)
  • Bruto binnenlands product: US$13,16 miljard (2013)[14]
    • Aandelen per sector: landbouw (17,5%), industrie (15,3%) en diensten (67,2%) (2013)[14]
  • Inflatie: 2% (2013)[14]
  • Beroepsbevolking: 1,129 miljoen (2013)[14]
    • Aandelen per sector: landbouw (47,8%), industrie (23,0%) en diensten (29,2%) (2010)[14]
    • Werkloosheid: 12,9% (2013)[14]
  • Export: $ 1,226 miljard (2013)[14]
  • Import: $ 4,115 miljard (2013)[14]
    • Importpartners: Italië (31,9%), Griekenland (9,5%), China (6,4%), Duitsland (6,0%) en Turkije (5,7%) (2012)[14]

Toerisme

bewerken
Zie toerisme in Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Door het strenge communistische beleid dat Albanië heeft gekend en dat het land gedurende decennia grotendeels gesloten hield voor buitenlandse bezoekers was het toerisme in Albanië beperkt. Sinds 2019 groeit toerisme naar Albanië echter sterk. In 2024 bezochten 11,7 miljoen toeristen Albanië.

Sarandë

De Albanese kustlijn, met in het zuiden Sarandë en de Albanese Rivièra en in het noorden Durrës en Shëngjin, is nog steeds vooral populair bij de Albaneestaligen zelf, maar langzaam maar zeker trekt ze ook westerlingen aan. Andere troeven van Albanië zijn vooral de unieke cultuur en taal, ontstaan door de afwisselende overheersingen die Albanië in zijn woelige geschiedenis heeft gekend, de ongerepte berggebieden in het noorden en zuidoosten, en de bruisende steden, met name Tirana.

Ksamil

Verkeer en vervoer

bewerken
De luchthaven van Tirana

De enige luchthaven in Albanië met lijndiensten is de luchthaven van Tirana, die in 2007 volledig werd vernieuwd. De luchthaven van Kukës is gebouwd en ontwikkeld met financiële steun van de Verenigde Arabische Emiraten om het toerisme in het noorden van het land te bevorderen, maar heeft momenteel geen vaste lijndiensten.[15] In 2018 is de luchtvaartmaatschappij Air Albania opgericht als nationale maatschappij van het land.

Logo van de Albanese spoorwegen

De Albanese spoorwegen zijn circa 677 kilometer lang (1986). Het spoorwegnet verkeert in slechte staat en wordt weinig tot niet gebruikt. Momenteel wordt de spoorlijn van Tirana naar Durrës met een verbinding naar de luchthaven van Tirana herbouwd, en zijn er plannen om het personenverkeer hier opnieuw op te starten.[16] De spoorwegmaatschappij Hekurudha Shqiptare (HSH) is de nationale vervoerder.

Verkeer in Tirana

Het wegennet meet in totaal circa 18.000 kilometer, waarvan 5400 kilometer is geasfalteerd. Sinds 2006 zijn er drie nieuwe snelwegen in aanleg die oost-west en noord-zuid met elkaar verbinden. De noord-zuid-route is 440 kilometer lang en loopt van Hani i Hotit aan de grens met Montenegro via Gjirokastër tot aan de grens met Griekenland en Sarandë. De oost-west-route begint bij de Griekse grens in Bilisht. De weg voert langs Pogradec vlak bij de Macedonische grens en Elbasan naar Durrës. De totale lengte is 279 kilometer. De route die reeds in gebruik is genomen verbindt Durrës met Kukës en de grensovergang met Kosovo, Qafa e Morinës. De lengte van deze verbinding bedraagt 170 kilometer.

Er zijn verbindingen per veerboot van het Griekse eiland Korfoe naar Sarandë, vanuit Bari (Italië) naar Durrës of vanuit het Italiaanse Brindisi naar Durrës of Vlorë.

bewerken
Commons heeft media­bestanden in de categorie Albanië.