ArticlePDF Available

Abstract and Figures

The word accent contrast in the Central and Low Franconian dialects of German and Dutch amounts to a contrast between the absence of lexical tone (Accent 1) and its presence (Accent 2). Together with the intonational tones, lexical tones are integrated into a single representation in all the dialects investigated, but dialects vary considerably in their phonetics and phonology. The article discusses the relationship between phonological representations and phonetic facts and gives the grammar of two dialects (Hasselt and Roermond). Next, it surveys the variation in pitch, duration and intensity found between Accent 1 and Accent 2 in the Low Franconian dialects spoken across the western edge of the Dutch-German dialect continuum in the Netherlands and Belgium (Limburgian dialects). In addition, we identify a number of distributional differences among them. Thirdly, it considers the question of the origin of the contrast, and points out the existence of both phonological and morphological correlates, while opting for a morphologically based tonogenesis scenario. --- The original publication can be retrieved from https://www.aup.nl/journal-downloads/nederlandse-taalkunde/taalk_2008_nr1_bw.pdf
Content may be subject to copyright.
1
De tonen van het Limburgs
Carlos Gussenhoven
Jörg Peters
Radboud Universiteit Nijmegen
eerste versie 5 augustus 2006
herziene versie 5 april 2007
herziene versie 1 november 2007
Abstract
The word accent contrast in the Central and Low Franconian dialects of German and Dutch
amounts to a contrast between the absence of lexical tone (Accent 1) and its presence (Accent
2). Together with the intonational tones, lexical tones are integrated into a single
representation in all the dialects investigated, but dialects vary considerably in their phonetics
and phonology. The article discusses the relationship between phonological representations
and phonetic facts and gives the grammar of two dialects (Hasselt and Roermond). Next, it
surveys the variation in pitch, duration and intensity found between Accent 1 and Accent 2 in
the Low Franconian dialects spoken across the western edge of the Dutch-German dialect
continuum in the Netherlands and Belgium (Limburgian dialects). In addition, we identify a
number of distributional differences among them. Thirdly, it considers the question of the
origin of the contrast, and points out the existence of both phonological and morphological
correlates, while opting for a morphologically based tonogenesis scenario.
Dankbetuiging
We hebben bij het herzien van de vele voorafgaande versies van dit veel baat gehad van de
opmerkingen van de redactie, de beoordelaars, en collega’s Rachel Fournier en Judith
Hanssen.
2
1 Inleiding
In de laatste jaren zijn er aanzienlijke vorderingen geboekt in het onderzoek naar de tonen van
het Limburgs. Er heeft zich bovendien een integratie voorgedaan met het onderzoek naar de
dialecten die in Duitsland en België gesproken worden en er is, te beginnen met Hermans
(1994), aansluiting gevonden bij het theoretische en typologische onderzoek in de fonologie,
een internationalisering die onder andere zijn uitdrukking kreeg in de First International
Conference on the Franconian Tone Accents, die in juni 2003 in Leiden werd gehouden (de
Vaan, 2006).
In dit overzicht behandelen wij drie aspecten die in het onderzoek aan de Radboud
Universiteit Nijmegen centraal hebben gestaan. Sectie 3 heeft als doel te laten zien dat de
interactie tussen de lexicale toon en de intonatie het voor de meeste dialecten onmogelijk
maakt om een eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe de woordtonen worden
uitgesproken. Een adequaat antwoord komt steeds neer op de formulering van een
fonologische grammatica waarin de tonen die de intonatie uitdrukken en de tonen die lexicaal
zijn volgens de regels van het betrokken dialect gecombineerd worden. Ter illustratie
presenteren wij twee van zulke grammatica’s, die van het dialect van Hasselt, dat tot het
West-Limburgs behoort, en die van het Roermonds, een Oost-Limburgs dialect. Naast het feit
dat zo een dialect uit België en een uit Nederland kan worden behandeld, geeft deze keuze
ook de gelegenheid om te laten zien hoezeer de toongrammatica’s in het Nederlandstalige
gebied van elkaar kunnen verschillen.
In sectie 4 besteden we aandacht aan de variatie tussen de dialecten, die veel groter is
dan we hadden kunnen vermoeden. Wat in het Venloos een stoottoon is, kan in het
Roermonds een sleeptoon zijn. De variatie blijft dus niet beperkt tot de fonetische realisatie.
Het feit dat geen twee van de door ons onderzochte dialecten dezelfde grammatica bezitten is
een van de meest fascinerende resultaten van het onderzoek. Daarnaast hebben we van het
dialect van Weert vast kunnen stellen dat het geen tooncontrast (meer) heeft. Wat de
fonetische variatie betreft, proberen wij een beeld te geven van de geleidelijke verandering
van de vormen langs de as tussen Venlo en Borgloon. Bij de fonetische realisatie van het
contrast valt op dat er naast toonhoogteverschillen in veel dialecten ook duurverschillen
bestaan. Omdat de duurverschillen soms opvallender zijn dan de toonhoogteverschillen, kan
men zich afvragen welk fonetisch verschijnsel, de duur of de toonhoogte, de directe weerslag
is van het fonologische verschil, en dus wat de aard is van het fonologische verschil: toon of
kwantiteit. Deze vraag wordt aan het eind van de sectie over de variatie behandeld.
Sectie 5 is gewijd aan de oorsprong van het tooncontrast. De status van dit onderdeel is
anders dan die van de voorgaande twee, die op empirisch onderzoek zijn gebaseerd. Kennis
over de oorsprong, waarvan algemeen wordt aangenomen dat die in het middeleeuwse Keulen
moet worden geplaatst, is onvermijdelijk speculatief, en van de in deze sectie geboden
gedachten over hoe het contrast is ontstaan kunnen we alleen maar hopen dat de lezer ze als
plausibel ervaart. We eindigen de sectie over de oorsprong van de tonen met een korte
beschouwing over de fonetische en de fonologische geleidelijkheid in de overgangen tussen
variëteiten van een taal, waarbij we laten zien dat de geleidelijkheid in principe fonetisch en
de fonologische geleidelijkheid, voor zover die bestaat, daarvan een afgeleide is.
3
Voor we overgaan tot de behandeling van de drie genoemde onderwerpen geven we in
sectie 2 enige informatie over algemene kenmerken van het tooncontrast.
2 Het tooncontrast: algemeen
Sectie 2.1 bevat een lijst van eigenschappen van het tooncontrast die alle onderzochte
dialecten gemeen hebben. Sectie 2.2 behandelt twee begrippen die voor de beschrijving van
toon onontbeerlijk zijn, ‘toondrager’ en ‘associatie’.
2.1 Gemeenschappelijke eigenschappen
Alle tot nog toe onderzochte dialecten hebben de volgende eigenschappen gemeen:
1. Binair contrast. Er is een oppositie tussen twee vormen, die ‘stoottoon’ (of
‘valtoon’) en ‘sleeptoon’ worden genoemd (een binair contrast). Sinds Schmidt’s (1986)
‘Tonakzent 1’ en ‘Tonakzent 2’ zijn de aanduidingen accent 1’ (=stoottoon/valtoon) en
‘accent 2’ (=sleeptoon) gebruikelijk. Zoals de Vaan (1999) opmerkt, werden die termen
eerder al gebruikt door Schrijnen (1920: 41ff). Omdat de Duitse dialectgroep waarin het
tooncontrast gevonden wordt het Mittelfränkisch is (Wiesinger 1983), wordt de toon
internationaal ook wel aangeduid als de Central Franconian toon, of kortweg de Franconian
toon. De laatste benaming sluit vanzelf de Limburgse dialecten in, die binnen de Low
Franconian dialectgroep vallen. Het aantal minimale paren verschilt per dialect; behoudens
contexten waarin geen contrast mogelijk is, hebben ook woorden die niet deel uitmaken van
een minimaal paar steeds ofwel Accent 1 ofwel Accent 2.
2. De woordklemtoon als drager van het contrast. Het contrast is gelokaliseerd in de
lettergreep met woordklemtoon. Er is dus altijd maar één plaats in het woord waar een
contrast kan voorkomen. Samenstellingen hebben overigens (minstens) twee van zulke
plaatsen, omdat elk samenstellend woord onafhankelijk een woordaccent bijdraagt.
3. Zinsaccenten. Onafhankelijk van het tooncontrast worden woorden geaccentueerd in
de zin, op dezelfde manier als in het Standaardduits en Standaardnederlands. Zo hebben de
zinnen die het equivalent zijn van We zijn naar de MARKT geweest, Er zit een SPIN op je rug,
en Er ZIJN helemaal geen broodjes in alle dialecten het zinsaccent op equivalente woorden,
hier aangegeven met hoofdletters. Omdat de toonhoogteaccenten die zulke zinsaccenten
aangeven steeds op lettergrepen met woordklemtoon terechtkomen, is er in alle dialecten
enige vorm van interactie tussen de woordaccenten (de woordtonen) en de zinsaccenten (de
intonatietonen). De dialecten variëren in het aantal verschillende intonatiepatronen. Het
Hasselts heeft vermoedelijk slechts één intonatiepatroon, het Roermonds heeft er twee, en het
Venloos vier. Het Standaardnederlands heeft er aanzienlijk meer.
4. Accent 1 ongespecificeerd. Woorden met Accent 1 hebben geen toon in de lexicale
representatie; woorden met Accent 2 hebben een lexicale toon of een groepje van twee
lexicale tonen. Dit betekent dat wanneer een zin geen enkel woord met Accent 2 bevat, er
alleen sprake is van intonatietonen. Zulke zinnen zijn dus wat de morfologische status van de
tonen betreft vergelijkbaar met zinnen van de standaardtaal, die altijd alleen intonatietonen
hebben. Ter vergelijking geven we in (1) een Nederlands voorbeeld met de fonologische
representatie van een vraagintonatie, en in (2) een minimaal paar zinnen uit het Maastrichts
met een functioneel equivalent intonatiepatroon. De representatie van toon en intonatie
4
bestaat uit een reeks segmenten, H voor ‘hoog’ en L voor ‘laag’. Een toon die accent verleent
wordt aangegeven met een sterretje (bijv. H*) en grenstonen worden aangegeven met een
subscript , het symbool voor de intonatiefrase. In (1) komt een toonhoogteaccent H* voor op
spoelen, terwijl de zin begint met een grenstoon L
en eindigt met een grenstoon H
. We
volgen hier de transcriptie in Gussenhoven (2005).
1
In (2a) staat een functioneel vergelijkbare
structuur uit het Maastrichts, hoewel de intonatie hier daalt aan het eind. In (2b) komt naast de
intonatiestructuur een woordtoon voor, een H, op speule ‘spelen’. Het Maastrichtse woord
voor ‘spoelen’ heeft dus Accent 1, en het woord voor ‘spelen’ heeft Accent 2, maar bestaan
overigens uit dezelfde klinkers en consonanten.
(1)
{Moet je spoelen}
|
L
H* H
(2) a. {Moste speule} b. {Moste speule}
| |
L
H* L
L
H*H L
‘Moet je spoelen?’ ‘Moet je spelen?’
De gestileerde toonhoogtecontouren geven de fonetische realisaties aan. Elke toon krijgt
minstens één doelwaarde, aangegeven door een bolletje, terwijl sommige, zoals %L, er twee
krijgen om de ruimte tussen de tonen met een vlakke toonhoogte op te vullen. Net als bij
klinkers en consonanten, is de realisatie van tonen gebonden aan de voorafgaande of de
volgende context. Zo wordt de eerste H-toon in de geaccentueerde lettergreep, de H* in (2b),
op een middenniveau gerealiseerd en wordt ook de L
na de lexicale H met half-hoge
toonhoogte gerealiseerd. Voor Nederlandstalige luisteraars klinkt (2b) enigszins alsof de
spreker een routinematige vraag stelt, maar voor de Maastrichtse luisteraar geeft de
middentoon aan dat ‘spelen’ bedoeld wordt, niet ‘spoelen’.
2.2 Toondrager en associatie
Een taal gebruikt de lettergreep of de mora als toondrager. Talen met een verschil tussen
lange (bimoraïsche) en korte (monomoraïsche) klinkers hebben die keuze. De toondrager is
het element waarmee een toon ‘associeert’. Voor een spreker van het Kikuyu, waarin de
lettergreep als toondrager fungeert, zouden de woorden /tàtáátà/ en /tàtátà/ hetzelfde
toonpatroon hebben, laag-hoog-laag, of LHL. Maar voor een spreker van het Japans zou een
toonpatroon als LHL op de eerste structuur als /tàtáàtà/ uitkomen, aannemende dat de tonen
van links naar rechts associëren. Dat komt omdat elk van de mora’s in de tweede lettergreep
een toon aantrekt. In (3) wordt dit verschil getoond. De laatste lege mora van (3b) is door
spreiding van de L aan een tonale specificatie gekomen. Een toon kan dus met meerdere
5
toondragers associëren. Zo kunnen ook toondragers met meer tonen associëren, iets dat vaak
voorkomt op de laatste lettergreep van een frase of zin. In (3c) wordt zo’n geval van
‘contouring’, dat bijvoorbeeld in het Mende voorkomt, gegeven. De tweede lettergreep heeft
hier dus een daling.
(3) a. Kikuyu b. Japans c. Mende
ta taa ta ta taa ta ta ta
| | | | | | | |
L H L L HL L H L
In de West-Limburgse dialecten is de toondrager de beklemtoonde lettergreep (Peters 2006b).
In het Keuls en de Oost-Limburgse dialecten is de toondrager de sonorante mora in de
beklemtoonde lettergreep (Gussenhoven & van der Vliet 1999, Gussenhoven & Peters 2004).
Het contrast tussen Accent 1 en Accent 2 kan in deze laatste dialecten alleen voorkomen als er
een tweede toondrager in de beklemtoonde lettergreep aanwezig is. De eerste is een korte
klinker of de eerste helft van een lange klinker of tweeklank; de tweede toondrager wordt
gevormd door de tweede helft van een lange klinker of tweeklank, of een sonorante
consonant, [    ]. Een tweede sonorante mora is bijvoorbeeld aanwezig in het
Roermondse [] ‘handschoen’, [] ‘been’, of [] ‘kunnen’, woorden die Accent 2
hebben. Ze contrasteren met [] ‘haas’, [] ‘benen’, en [] ‘(schenk)kan’, die
Accent 1 hebben. Voor woorden van het type [] ‘kat’, waar de [] niet sonorant is, of
[] ‘bungelen’, waar de [] weliswaar sonorant is, maar (ook) in een volgende
lettergreep zit, heeft het dus geen zin om te vragen welke toon ze hebben. Deze beperking is
er de oorzaak van dat een woord als [] ‘rond voorwerp’ zijn Accent 2 verliest in het
meervoud [] (Hermans 1994). De [], die in het enkelvoud in het rijm van de lettergreep
zit, wordt in het meervoud immers als eerste medeklinker van de tweede lettergreep gebruikt.
Het tweede fonologische begrip is ‘associatie’. Tonen kunnen geassocieerd of
ongeassocieerd (‘floating’) voorkomen. Geassocieerde tonen hebben een verbinding met een
toondrager, zoals aangegeven met behulp van de associatielijnen in (3), terwijl
ongeassocieerde tonen slechts een positie hebben in de lineaire reeks tonen. Het lot van
ongeassocieerde tonen hangt af van de grammatica van de betrokken taal. Ze kunnen
verdwijnen, of de uitspraak van een volgende toon beïnvloeden, of zelf een doelwaarde
krijgen. In dat laatste geval wordt de toon uitgesproken, maar als er minder tijd beschikbaar
is, bijvoorbeeld omdat er tussen het begin (of eind) van de uiting en de eerste geassocieerde
toon weinig of geen segmenten over zijn, dan is de uitspraak minder duidelijk. De ideale
doelwaarde van de toon wordt dan niet gehaald. Deze laatste situatie is relevant voor de
Limburgse dialecten. We geven ter verduidelijking eerst een voorbeeld uit het Japans, waar
‘contouring’ als in (3c) ongrammaticaal is, als gevolg waarvan er ongeassocieerde tonen aan
de randen van uitingen kunnen voorkomen. Zulke tonen worden dan al naargelang de
beschikbare tijd meer of minder duidelijk uitgesproken. Terwijl in (4a) zowel H als L kunnen
6
worden geassocieerd, omdat het woord twee toondragers heeft, [] en [], kan in (4b) alleen
de H worden geassocieerd. Het gevolg is dat de ‘floating’ L een uitspraak krijgt met bijna
hoge of half-hoge toonhoogte. De toonhoogtedaling is hier ‘getrunceerd’. Ook de
ongeassocieerde initiële grenstoon L komt in beide gevallen niet verder dan de creatie van een
kort stijginkje vóór de piek. We zullen zien dat sommige dialecten zich gedragen als het
Japans, waarbij er vooral aan het eind van de uiting truncatie optreedt, terwijl andere alle
tonen in hun waarde laten.
(4)
a. san b. ni
| | |
%L HL %L HL
‘drie’ ‘twee’
3 Twee grammatica’s: Hasselt en Roermond
In de meeste autosegmentele beschrijvingen van intonatiesystemen is de onderliggende
toonrepresentatie tegelijk de oppervlakterepresentatie. Pierrehumbert (1980) merkte dit feit op
naar aanleiding van haar beschrijving van het Amerikaans Engels en Gösta Bruce’s analyse
van het Zweeds (Bruce 1977). Hayes & Lahiri (1991) laten zien dat intonatiesystemen ook
fonologische aanpassingen kunnen ondergaan. Zij voeren voor het Bengaals een
toondeletieregel op, die van twee gelijke tonen er één doet verdwijnen.
Net als in de West-Limburgse dialecten van Tongeren en Borgloon, is in het Hasselts
de onderliggende representatie gelijk aan de oppervlakterepresentatie, terwijl het Roermonds
annpassingen worden gemaakt, weer net als in de andere onderzochte Oost-Limburgse
dialecten Venlo en Helden.
3.1 Hasselt
Het Hasselts, dat we behandelen op basis van Peters (ter perse), heeft één intonatiepatroon,
dat in (5) wordt gegeven. Zowel vragen en mededelingen worden dus met dezelfde
fonologische structuur uitgesproken.
2
Het pitch accent LH* komt op de geaccentueerde
lettergrepen, terwijl de grenstoon L
aan het eind van de intonatiefrase (vgl. de subscript )
komt. De voorbeelden in Peters (ter perse) beginnen op een toonhoogte halverwege hoog en
laag, waarvoor we een begin-L
aannemen. In (6) geven we het lexicale tooncontrast, waarbij
de beklemtoonde lettergreep van woorden met Accent 2 geassocieerd zijn met een L, de
lexicale toon, en woorden met accent 1 toonloos zijn.
(5) LH* L
7
(6) Accent 1: Accent 2 :
|
L
In (7) zien we hoe het woord ‘kaasjes’, dat Accent 1 heeft, het pitch accent LH*
draagt. Deze wordt uitgesproken als een stijging die begint aan het begin van de
geaccentueerde lettergreep en eindigt aan het eind van de klinker.
(7) 
 |
L
LH* L
‘Maar ik moet nog een paar kaasjes hebben’
In (8) zien we het woord  ‘kousjes’, dat Accent 2 heeft, en met een geassocieerde
L-toon in de zin komt. Omdat de toondrager / al met een toon is geassocieerd, zit er voor
het pitch accent LH* niets anders op dan zijn plaats in de toonreeks in te nemen, zonder
associatie.
3
De twee L-tonen zorgen nu voor een vlakke, lage toonhoogte in de
geaccentueerde lettergreep, gevolgd door een stijging naar de doelwaarde van H*, die op de
lettergreep wordt uitgesproken, gevolgd door de langzame daling naar de doelwaarde
van L
.
(8) 
 |
L
L LH* L
‘Maar ik moet nog een paar kousjes hebben’
Aan het eind van de intonatiefrase is er minder tijd voor de daling van Accent 1, en wordt
deze gedeeltelijk getrunceerd, zoals in (9) wordt geïllustreerd voor . Het begin van de
stijging is ook wat hoger, wegens de korte afstand tussen de pieken van en 
(9) {
| |
L
LH* LH*
L
‘maar twee dagen’
De vergelijkbare contour voor Accent 2 is een vlakke middentoon. Zoals we eerder voor het
Maastrichts hebben gezien, kan de realisatie van tonen afhankelijk zijn van voorafgaande en
volgende tonen. In het Hasselts geldt dat in finale positie LH* L
na de lexicale L als
8
middentoon wordt gerealiseerd. We gaan er bij de doelwaarden in de gestileerde contour voor
de duidelijkheid vanuit dat elk van die drie tonen afzonderlijk wordt uitgesproken.
(10) { 
| |
L
LLH* LLH*L
‘maar één dag’
Wanneer er geen toonhoogteaccent aanwezig is, wordt het verschil tussen Accent 1 en Accent
2 alleen bepaald door de lexicale toon. Het effect is in (11) en (12) te zien. In (11) verloopt de
daling na H* geleidelijk naar L
, zoals ook het geval was in (7) en (8), omdat / Accent 1
heeft. In (12) heeft een lexicale toon, die de daling na H* scherper maakt, omdat de
lage toon bereikt moet worden aan het begin van .
(11)  
|
L
LH* L
‘Het waren een paar mooie dagen’
(12)  
| |
L
LH*
L L
‘Het was een mooie dag’
Het contrast tussen een halve daling en een vlakke toon, zoals op de laatste lettergrepen van
(11) en (12) is te zien, is niet onbekend in toontalen. Voor sprekers van een intonatietaal als
het Nederlands is dit verschil echter zeer onverwacht, en meer nog dan in het geval van de
geaccentueerde tooncontrasten in (7)-(8) en (1)-(2) vereist het enige gehoortraining om het te
kunnen waarnemen.
De drie behandelde contrasten van het Hasselts (geaccentueerd zinsintern, geaccentueerd
zinsfinaal, en ongeaccentueerd zinsfinaal) corresponderen met zes contrasten in het
Roermonds, omdat dat dialect twee intonatiecontouren kent. Het Roermonds heeft alle
kenmerken die in sectie 2.1 zijn opgenoemd, maar verschilt overigens in veel opzichten van
het Hasselts. De lexicale toon is H, niet L; een intonationeel toonhoogteaccent komt vóór de
lexicale toon, niet erna; de toondrager is de sonorante mora, niet de lettergreep; er vinden
fonologische aanpassingen plaats, in plaats van dat de onderliggende representatie tegelijk de
oppervlakterepresentatie is.
9
3.2 Roermond
De twee intonatiepatronen van het Roermonds, dat we behandelen op basis van Gussenhoven
(2000a), zijn in (13) vermeld. Er is steeds een enkele toon in het toonhoogteaccent; de
vraagintonatie heeft een bitonale grenstoon. Het tooncontrast staat in (14). Accent 2 is een H
die zich op de tweede sonorante mora van de beklemtoonde lettergreep bevindt. Lettergrepen
met één sonorante mora (zie sectie 2) lijken het meest op Accent 1, omdat ze geen lexicale
toon hebben.
(13) Declaratief: H* L
Interrogatief: L* H
L
(14) Accent 1: Accent 2 : Monomoraisch:
m m m m m
|
H
In (15a,b) zien we de declaratieve en interrogatieve contouren op zinnen met alleen
stoottonige woorden. De laatste beklemtoonde lettergreep (!"#) trekt in beide gevallen de
grenstoon aan. Maar ook de tweede toondrager in knien in (15a) trekt een associatie aan van
de L
, waardoor een steile daling binnen die lettergreep ontstaat. In (15b) vindt er echter geen
associatie plaats van de H
met de tweede mora in de geaccentueerde lettergreep, omdat in het
Roermonds een geassocieerde toonreeks LH binnen de lettergreep niet is toegestaan. Dit
verbod op stijgingen (‘NoRise’) komt in talen vaker voor. De stijging in (15b) eindigt dan ook
buiten de lettergreep knien (Gussenhoven 2000b). Dit effect is duidelijker op zinnen waarin
meer woorden voorkomen na het laatste zinsaccent. Verder trunceert het Roermonds niet: de
L
aan het eind van de lettergreep " wordt als een lage toon gerealiseerd.
(15)
a. $%&" b. %&"
H
H* L
L
L* H
L
‘Ik heb “konijnen” gezegd’ ‘Heb je “konijnen” gezegd?’
Accent 2 is te zien in (16a), de sleeptonige tegenhanger van (15a), in de vorm van de lexicale
H. De twee H-tonen van (16a) worden gerealiseerd als een flauwe stijging van midden naar
hoog, waarna de contour daalt naar de eindtoon. Perceptief is de geaccentueerde lettergreep
dalend in (15a) en hoog in (16a). In (16b), de vraagversie van (16a), is een toonassimilatie te
zien. De L*H, die hier onderliggend aanwezig is, wordt gecorrigeerd’ tot L*L, zodat
‘NoRise’ niet meer geschonden wordt. Door de assimilatie van de lexicale H ontstaat een laag
10
toonhoogteniveau op de lettergreep knien, dat perceptief contrasteert met een (flauwe) stijging
in (15b). De toonhoogte stijgt in (16b) op &, om op "zag weer scherp te dalen.
(16)
a. $%&" b. %&"
L
H*H L
L
L*L H
L
‘Ik heb “konijn” gezegd’ ‘Heb je “konijn” gezegd?’
De dubbele werking van ‘NoRise’ (de blokkering van de associatie in (5b) en de assimilatie in
(16b)) illustreert een interessante eigenschap van het Roermonds. Maar het dialect kent nog
een bijzonderheid, en die betreft de volgorde van de woordtoon en de intonationele
grenstonen. Zoals van finale grenstonen te verwachten is, komen die aan het einde van de
toonreeks, maar in het Roermonds is daar één uitzondering op. Als de lexicale toon op de
laatste mora van de intonationele frase zit, wat het geval is wanneer de zin eindigt op een
lettergreep met Accent 2, dan komt de lexicale toon ná de grenstonen, dus na L
in de
declaratief en na H
L
in de interrogatief. In (17) zien we eerst een finale lettergreep met
accent 1, waarbij als te verwachten alleen intonatietonen aanwezig zijn. In (17b) ontsnapt de
H
aan assimilatie door niet te associëren. De omwisseling van de lexicale toon en de
grenstoon is te zien in (18). In (18a) komt de L
vóór de H, waardoor een daal-stijging
ontstaat. In (18b) komen de twee grenstonen H
L
vóór de H. De H
en L
moeten associëren,
omdat de lexicale H geassocieerd is en omdat we aannemen dat in het Roermonds ‘floating’
tonen alleen aan de marges mogen voorkomen. De reeks L*H
valt nu onder de assimilatie
(een effect van ‘NoRise’, zie (16b)), waardoor H
in L
verandert en een simpele stijging
ontstaat, L*L
i
L
i
H. De dubbele L
L
zal equivalent zijn aan een enkele L
.
(17)
a. $ b. "
| |
L
H*L
L
L* H
L
‘Ik zeg “konijnen”’ ‘Zeg je “konijnen”?
(18)
a. $ b. "
L
H*L
H L
L*L
L
H
‘Ik zeg “konijn”’ ‘Zeg je “konijn”?’
11
Zoals te verwachten valt, doet de omdraaiing van lexicale toon en grenstonen zich ook voor
op lettergrepen waarop géén zinsaccent voorkomt. Finale lettergrepen met Accent 1 worden in
(19) gegeven. Deze vergelijken we met de finale lettergrepen met Accent 2 in (20). In (19a)
doet zich een niet-steile daling voor na  in principe vergelijkbaar met de niet-steile
daling in in (16a): in beide gevallen ontbreekt een lege tweede sonorante mora in de
geaccentueerde lettergreep. In (19b) is er een stijging vanaf het zinsaccent, die wordt gevolgd
door een daling in de laatste lettergreep, de grenstonen H
L
. In (20a, b) worden de dalingen
van deze contouren gevolgd door een lichte stijging op het eind, het effect van de laatst
geplaatste lexicale H. De vormen (19b) en (20b) maken op niet-Roermondenaren vaak de
indruk een zinsaccent te hebben op knien.
(19)
a. $ b. "
| | | | |
L
H* L
L
L* H
L
‘Ik ZEG “konijnen”’ ‘ZEG je “konijnen”?
(20)
a. $ b. "
| | | | | |
L
H* L
H L
L* H
L
H
‘Ik ZEG “konijn”’ ‘ZEG je “konijn”?
3.3 Hasselt en Roermond: conclusie
Voor alle belangrijke aspecten waarin de Limburgse dialecten kunnen verschillen hebben
Hasselt en Roermond andere keuzes gemaakt. Tabel 3 vat de situatie samen. De tabel laat zien
dat de waarde van de lexicale toon anders is, net als de toondrager. Bovendien verschillen de
dialecten in de volgorde van lexicale toon en intonatietoon in de geaccentueerde lettergreep,
in de volgorde van de lexicale toon en de finale grenstoon of grenstonen op de laatste
toondrager van de frase, en in het aantal intonatiecontouren. Daarnaast kent alleen het
Roermonds context-gebonden fonologische aanpassingen van de onderliggende representatie,
als gevolg van het verbod op niet-finale geassociëerde LH (NoRise); in het Hasselts is de
onderliggende representatie tegelijk de oppervlakterepresentatie.
12
Tabel 3. Samenvatting van de fonologische verschillen tussen Hasselt en Roermond
Hasselt Roermond
T
Lex
L H
Toondrager m
Volgorde T*, T
Lex
T
Lex
T* T* T
Lex
Volgorde T
, T
Lex
T
Lex
T
T
T
Lex
Intonatie HL* L
H* L
, L* H
L
Fonologische aanpassingen - NoRise
4 Geografische variatie
De behandeling van een West-Limburgs en een Oost-Limburgs dialect in de vorige sectie laat
goed zien hoe zeer de dialecten in het Nederlands-Belgische gebied van elkaar verschillen.
Maar ook binnen het Oost-Limburgs en het West-Limburgs (zie Figuur 1) doen zich vrij grote
verschillen voor. Bij de behandeling van deze verschillen kan men ofwel uitgaan van de
fonologie, zoals dat in de vorige sectie is gedaan voor het Hasselts en het Roermonds, of van
fonetische verschillen. De geleidelijkheid in de verschillen tussen dialecten laat zich het best
zien in de fonetische gegevens, terwijl de fonologische verschillen de dialectgroepen vaak
scherper aangeven, zoals isoglossen dat doen.
13
Figuur 1. Het gebied waar tonale dialecten van het Nederlands en Duits worden gesproken,
aangegeven door de stippellijn, met aanduiding van enige onderzoekslocaties in Nederland en
België (naar Peters, ter perse).
4.1 Toonhoogte
We richten ons in sectie 4.1.1 op de woordtonen zoals die met neutrale (mededelende)
intonatie worden gesproken, en gaan in sectie 4.1.2 in op de vraag hoe de woordtonen worden
uitgesproken wanneer zij geen zinsaccent hebben.
4.1.1 De variatie bij neutrale intonatie
Wanneer men de Oost-Limburgse en West-Limburgse dialecten in fonetische zin met elkaar
vergelijkt, dan hebben de West-Limburgse dialecten latere toonhoogtepieken dan de Oost-
Limburgse. Een geleidelijk verlate realisatie van toonhoogtepieken is vaker aangewezen als
oorzaak van het uit elkaar groeien van dialecten.
4
Terwijl in het Oost-Limburgs de toonhoogte
haar hoogste punt in de eerste helft van een (lange) klinker bereikt en in de tweede helft daalt,
wordt in de West-Limburgse dialecten van Hasselt, Borgloon en Tongeren
5
het hoogste punt
pas in de tweede helft bereikt (Peters 2006b, 2007; ter perse; vgl. ook Grootaers 1910: 124,
Grootaers & Grauls 1930: 133f). Accent 2 heeft een nog latere piek, en stijgt vanaf een laag
niveau in de geaccentueerde lettergreep. Het Borgloons kent enige variatie in de manier
Borgloon
Roermond
Noordrijn-Westfalen
Nederlands Limburg
Hasselt
Rijnland-Palts
Genk
Tongeren
Venlo
Maastricht
Keulen
België
Nederland
Luxem-
burg
Frankrijk
Trier
Duitsland
Rijn
Weert
Sittard
Held
en
Belgisch Limburg
14
waarop Accent 2 binnen de geaccentueerde lettergreep wordt uitgesproken: de toon stijgt
vanaf midden-hoog of er is een daal-stijging, waarbij de piek als gebruikelijk steeds de
geaccentueerde lettergreep valt. Figuren 1 en 2 laten deze verschillen zien in zinsfinale en
zinsinterne positie in de Oost-Limburgse dialecten van Venlo en Roermond en de West-
Limburgse dialecten van Hasselt en Borgloon.
Bij de zinsinterne vormen zien we dat bij Accent 1 de daling minder steil is in het West-
Limburgs, en dat de vertraagde piek op een lettergreep valt die aan de volgende klemtoon
voorafgaat.
6
In zinsfinale positie stijgt in het West-Limburgs de toonhoogte bij Accent 2
gedurende bijna de hele geaccentueerde lettergreep, en daalt dan niet of nauwelijks op het
eind. Het West-Limburgs heeft vaak forse truncatie.
Venlo Roermond
Hasselt Borgloon
Figuur 1: Accent 1 (doorgetrokken lijn) en Accent 2 (onderbroken lijn) in zinsinterne positie
in de zin. Het gedeelte tussen de verticale onderbroken lijnen correspondeert met de niet-
finale beklemtoonde lettergreep.
Venlo Roermond
Hasselt Borgloon
Figuur 2: Accent 1 (doorgetrokken lijn) en Accent 2 (onderbroken lijn) in zinsfinale positie.
Het gedeelte tussen de verticale onderbroken lijnen correspondeert met de finale
beklemtoonde lettergreep.
15
Binnen het Oost-Limburgs doet zich variatie voor bij de vorm van Accent 2. In het Venloos
(Gussenhoven & van der Vliet 1999), Heldens (van den Beuken 2007) en Keuls
(Gussenhoven & Peters 2004, Peters 2006a) is de toonhoogte in de zinsinterne geaccentueerde
lettergreep vlak hoog, maar kent het Roermonds en Sittards (Hanssen 2005) een stijging naar
hoog vanaf het middenniveau, iets dat vermoedelijk ook geldt voor Maasbracht (Hermans
1994) en Montfort (Bakkes 1996: 46). In zinsfinale positie is Acccent 1 in de genoemde
dialecten steeds een daling, maar zijn er twee vormen te onderscheiden voor Accent 2. In
Sittard en Roermond en omgeving is Accent 2 dalend-stijgend (zie (8a)). Voor luisteraars met
een andere dialectachtergrond klinkt die vorm vaak als een vraag, omdat de contour met een
van de Nederlandse vraagintonaties samenvalt, de ‘A2(’t Hart, Collier & Cohen 1990) of
H*LH% (Gussenhoven 2005). In het Venloos en het Heldens vertoont Accent 2 dezelfde
daling, maar de stijging aan het eind is zeer gering, en vaak alleen bespeurbaar als een
afvlakking van de daling. Een derde vorm doet zich voor in het Keuls, dat in veel opzichten
op het Oost-Limburgs lijkt, waar Accent 2 een gerekte hoge vlakke toon is gevolgd door een
ferme daling op het eind (Gussenhoven & Peters 2004, Peters 2006a).
Wanneer we nu terugkeren naar Tabel 1 en de daarin getoonde verschillen tussen de plaatsing
van de toonhoogtepieken in het Oost- en West-Limburgs, dan zouden we het lagere begin van
de contour van Accent 2 in Roermond en Sittard kunnen opvatten als de eerste stap op een
continuum van vroege pieken in Oost-Limburg en late pieken in West-Limburg. Verder op de
weg naar het West-Limburgs ligt het Centraal-Limburgse dialect van Maastricht, waar het
begin van de geaccentueerde lettergreep nog wat lager is. In die zin is Maastricht een
tussenvorm tussen Hasselt en Roermond. Ook in finale positie is er een verlaagd begin bij
Accent 2, maar anders dan in het West-Limburgs, vindt er geen truncatie plaats van finale
realisaties van Accent 2 (Gussenhoven & Aarts 1999). In finale geaccentueerde lettergrepen
daalt de Maastrichtse contour voor Accent 2 dus ferm, zoals de Keulse, maar begint duidelijk
lager dan in het Keuls.
In het Centraal-Limburgse gebied bevinden zich ook dialecten die het tooncontrast
hebben verloren, en deels door klinkercontrasten of een lengtecontrast hebben vervangen
(Heijmans 2003, Cajot 2006). Het kan hier moeilijk zijn om vast te stellen of het tooncontrast
nog aanwezig is, en het verschil zou in gevallen waarin het bestaat klein kunnen zijn. Volgens
Stevens (1955) valt het toonhoogteverschil in de Kempen weg, maar blijft het onderscheid
toch bewaard, welke observatie hij anecdotisch ondersteunt met de mededeling dat “de
valtonige sleeptoon op de van huis uit sleeptoon gebruikende dialectsprekers de indruk
[maakt] maar een ‘zoetwatersleeptoon’ te zijn” (1955: 138).
4.1.2 Het tooncontrast in ongeaccentueerde lettergrepen
Een belangrijke context waarin het tooncontrast zich manifesteert is de ongeaccentueerde
lettergreep. Deze context werd in sectie 3 geïlllustreerd in een positie na het laatste zinsaccent
in de paren (11)-(12) en (19)-(20). Hier komt de lexicale toon alléén voor, zonder
toonhoogteaccenten. Daardoor valt de identiteit van de lexicale toon beter vast te stellen. In
zinsfinale ongeaccentueerde lettergrepen komen natuurlijk nog grenstonen voor, die samen
16
met een lexicale toon op de laatste lettergreep worden uitgesproken, maar in
ongeaccentueerde lettergrepen binnen de zin kan alleen de lexicale toon voorkomen.
Nou verschilt juist op dit laatste punt het noordelijk Oost-Limburgs (Venlo, Roermond
en Helden) van alle andere onderzochte dialecten, inclusief het Sittards. In het Venloos,
Heldens en Roermonds bestaat het tooncontrast alléén op zinsfinale ongeaccentueerde
lettergrepen (Gussenhoven & van der Vliet 1999: 102, Gussenhoven 2000a, Fournier et al.
2006, van de Beuken 2007). Daardoor is het tooncontrast in het tweede lid van een
samenstelling als het Venlose kuns
2
bein
2
‘kunstbeen’ alleen waarneembaar indien dit woord
zinsfinaal is, zoals in Det is un kuns
2
bein
2
‘Dat is een kunstbeen!’, maar niet in Is-tet un
kuns
2
bein dao? ‘Is dat een kunstbeen daar? of in Det is un kuns
2
beinke ‘Dat is een
kunstbeentje’. (Het toonhoogteaccent valt als gebruikelijk steeds op het eerste lid van de
samenstelling, kuns-.) In de andere dialecten is het tooncontrast ongeacht de prosodische
context waarneembaar, dus ook in ongeaccentueerde lettergrepen binnen de zin.
In die andere dialecten laat zich dus gemakkelijk vaststellen wat de waarde van de
lexicale toon is: L of H. Zo zien we in het Maastrichts in ongeaccentueerde zinsinterne positie
in het Maastrichts een toonhoogtepiek voor Accent 2, zoals in (21b). In (21a,b) ligt het enige
zinsaccent op [] ‘wil-3SG’. De structuur [ ] heeft in (21a) Accent 1 (‘spoelen’) en
in (16b) Accent 2 (‘spelen’). Anders dan voor de Maastrichtse luisteraar, voor wie in (21a,b)
zowel ‘spoelen’ en ‘spelen’ contextueel voorspelbare informatie vertegenwoordigen, klinkt
voor niet-Maastrichtenaren de piek in (21b) gewoonlijk als een zinsaccent. Op grond van
(21b) is vast te stellen dat de lexciale toon een H is, en dat dus ook de eerste toon in (2b) een
H is, en niet een L, zoals in het West-Limburgs. Die West-Limburgse L hebben we in sectie 2
gezien op een finale ongeaccentueerde lettergreep in het Hasseltse voorbeeld (12). In (22b)
laten we hem nog eens zien op een niet-finale lettergreep, vergelijkbaar met (21b). Merk op
hoe Accent 1 in het Hasseltse voorbeeld (21a) juist hoger is dan Accent 2, net het omgekeerde
van de situatie in Maastricht. Terwijl het begin van de lettergreep geleidelijk aan een steeds
lagere toonhoogte heeft gaande van Venlo naar Borgloon bevindt het fonologische
omslagpunt zich tussen Maastricht en Tongeren (Heijmans 1999, Gussenhoven & Aarts 1999,
Peters 2006, 2007, ter perse).
(21) a. {'' }
b. {'' }
| | |
L
H*
L
L
H* H
L
Wil ze niet spoelen?’ Wil ze niet spelen?
(22) a. {'(&"}
b. {'(&"}
| | |
L
L L*H
L
L
L L*H
L
L
Pierre heeft voor een hen gezorgd’ Pierre heeft voor hen gezorgd’
17
De contrasten in (21) en (22) zijn goed waarneembaar. In het Keuls en het Sittards is het
contrast in deze zinsinterne, ongeaccentueerde context vrij subtiel (Gussenhoven & Peters
2004, Hanssen 2005).
4.2 Intensiteit
In de oudere literatuur wordt veel aandacht geschonken aan mogelijke verschillen in het
intensiteitsverloop. De termen ‘stoottoon’ en ‘sleeptoon’ zijn door Grootaers (1910)
ingevoerd als aanduidingen voor varianten van het ‘intensiteitsaccent’, niet van het ‘muzikale
accent’, een typologisch onderscheid dat hij aan Sievers (1881) toeschrijft en dat al geruime
tijd geen aanhangers meer heeft. Ook in het oudere onderzoek van de toonaccenten in het
Rijnland werd het intensiteitcontrast als primair gezien ten opzichte van het muzikaal contrast
(bijv. Frings 1913, 1916).
Ondanks de nadruk die op dit fonetische onderscheid wordt gelegd door Grootaers
(1910: 122f, 127) voor het Tongers en door Grootaers & Grauls (1930: 131ff) voor het
Hasselts, worden de karakteriseringen waarbij Accent 2 een geleidelijker intensiteitsverval
kent dan Accent 1 niet gesteund door recente metingen voor het Hasselts (Peters ter perse).
Twijfel aan het belang van een intensiteitcontrast in het Limburgs wordt versterkt door het feit
dat de stembandocclusie, die volgens het oudere onderzoek in het Rijnlands vaak gepaard gaat
met Accent 1, in het gehele Nederlandse en Belgische gebied afwezig is (Grootaers 1952; zie
ook Grootaers 1921, Grootaers & Grauls 1930: 131f, en Goossens 1959: 143, voetn. 1, 210).
In de beschrijvingen van de Oost-Limburgse dialecten wordt aan de intensiteit overigens
minder belang toegekend.
4.3 Duur
Zowel voor het Oost-Limburgs als het West-Limburgs is vastgesteld dat lettergrepen met
Accent 2 langer zijn dan die met Accent 1. Anders dan in het dialect van Weert, waar het
tooncontrast deels is vervangen door een al bestaand kwantiteitscontrast (Heijmans 2003), is
het duurverschil in de tonale dialecten steeds fonetisch: de verlenging maakt deel uit van de
realisatie van Accent 2. Het duurverschil tussen Accent 1 en Accent 2 is niet overal even
groot. Voor het dialect van Roermond vinden Fournier et al. (2006) dat een lange klinker met
Accent 2 slechts 8% langer is dan met Accent 1. Voor het Venloos is in monosyllaben een
verlenging van 14% gemeten. In het West-Limburgse diialect van Tongeren is Accent 2 in de
metingen van Grootaers (1913) 34% langer dan Accent 1, terwijl in het Centraal-Limburgse
Maastricht de verlenging volgens de metingen in Gussenhoven & Aarts (1999) rond de 50%
ligt. Ook de duurverschillen tussen de woordtonen laten dus grote regionale verschillen zien,
maar zonder de geleidelijke verschuiving van het Oost-Limburg naar het West-Limburgs,
omdat de grootste verschillen juist in Centraal Limburg zijn aangetroffen. In dit licht bezien is
het niet verwonderlijk dat het Weerts, dat het tooncontrast heeft vervangen door een
duurcontrast, een Centraal Limburgs dialect is. Het duurverschil is in het West-Limburgs
duidelijk groter dan in het Oost-Limburgs, en volgens Fournier et al. (2006) speelt het in het
Roermonds geen enkele rol bij de herkenning van de woordtonen.
18
Het (fonetische) duurverschil tussen Accent 1 en Accent 2 is onafhankelijk van het
(fonologische) kwantiteitscontrast, dat in alle Limburgse dialecten bewaard is. Figuur 3 is
gebaseerd is op duurmetingen van korte en lange open klinkers in één- en tweelettergrepige
nonsenswoorden met Accent 1 en Accent 2 in zinsfinale positie voor het Tongers (Grootaers
1913). Zoals we in de volgende sectie zullen zien, hebben dialecten in België het tooncontrast
vaak ook nog op lettergrepen met een enkele sonorante mora. Uit de metingen van Grootaers
blijkt dat het duurverschil zowel bij lange als korte klinkers bestaat. We gebruiken de
superscript 1 en 2 voor accent 1 en accent 2. De korte klinker in /ap
2
/ is langer dan in /ap
1
/,
maar korter dan de lange klinker in /aap
1
/, en hetzelfde geldt voor de tweelettergrepige
conditie. Deze laaste conditie laat zien dat zinsfinale lettergrepen langer zijn dan prefinale
lettergrepen in de zin (‘pre-finale verlenging’), en dat die verlenging de verschillen tussen de
woordaccenten en die tussen de korte en lange klinkers onaangetast laat.
Figuur 3: Duur (ms.) van korte en lange klinkers in open en gesloten lettergrepen met
Accent 1 en Accent 2 in het Tongers (naar Grootaers 1913).
0
50
100
150
200
250
300
350
400
kort, fin lang, fin kort,
penult
lang,
penult
Acc 1
Acc 2
In het Hasselts is het duurverschil bij de korte klinkers zo gering dat Staelens (1989: 16)
Accent 2 in deze context een ‘lichte sleeptoon’ noemde. Recente metingen van Hasseltse
klinkers laten zien dat het verschil tussen de woordtonen groter is wanneer er een
intonationeel toonhoogteaccent aanwezig is: ‘accentuele verlenging’ (Peters ter perse).
Toon of kwantiteit?
Het grote duurverschil tussen Accent 1 en Accent 2 leidt soms tot de vraag of er niet sprake is
van een kwantiteitscontrast in plaats van een tooncontrast. In Gussenhoven & Peters (2004)
hebben we die vraag ontkennend beantwoord voor het Keuls, dat als gebruikelijk een
kwantiteitsverschil kent naast het contrast tussen Accent 1 en Accent 2. Invoering van een
(additioneel) kwantiteitscontrast in de plaats van een tooncontrast betekent dat er korte, lange
en overlange klinkers zouden zijn. Dit is te zien in (23), waar (23a) een korte klinker heeft
gevolgd door een niet-sonorante consonant en waar het verschil tussen Accent 1 en Accent 2
niet bestaat, zoals we in sectie 2.2 hebben gezien. Deze vorm contrasteert met een lettergreep
met lange klinker en Accent 1, als in (23b), en beide verschillen van een lettergreep met lange
19
klinker met Accent 2, als in (23c). Ook ontstaan er geminate sonoranten, als // in de
Accent-2 vorm in (24b), die onderscheiden moet worden van de Accent-1 vorm (24a). De //
is al in gebruik om de Accent-1 vorm met een lange klinker weer te geven, als in (24c). In
(24d) zou // of // kunnen worden gebruikt. Voor een aantal argumenten tegen deze
analyse verwijzen we naar genoemd artikel.
(23) a. Schaff /)( / ‘schacht’ b. Schav /)( ‘schaaf’ c. Schaaf /)(/ ‘kast’
(24) Accent 1 Accent 2
a. Kann // ‘schenkkan’ b. kann // ‘kunnen-SG’
c. Bahn //‘spoor’ d. dran // of // ‘eraan’
4.4 Distributionele beperkingen
In sectie 2 hebben we gezien dat het contrast tussen Accent 1 en Accent 2 beperkt is tot
lettergrepen met woordklemtoon. Dit is ook het geval in het Zweeds, Noors, Litouws en
Servo-Kroatisch. Er zijn daarnaast een aantal factoren die de distributie van het contrast in de
verschillende dialecten van het Limburgs verder beperken. Hermans (1994) noemt woorden
met de klemtoon op de voorvoorlaatste en een secundaire klemtoon op de laatste lettergreep,
zoals algebra, dominee, die in het Maasbrachts alleen Accent 2 kunnen hebben. In deze
sectie geven we een aantal ons bekende distributionele beperkingen die door segmentele
structuur van de beklemtoonde lettergreep worden bepaald.
Eerder merkten wij op dat in de Oost-Limburgse dialecten, net als in het Keuls, het
contrast beperkt is tot lettergrepen met ten minste twee sonorante mora’s: een lange klinker,
een tweeklank of een korte klinker plus // (Hermans 1985, 1994, Kats 1939, 75,
79, Dols 1941: 194, Peeters 1951: 140f, Bakkes 1996: 47, Gussenhoven 2000a, Gussenhoven
& van der Vliet 1999). Kats (1939: 85) maakt verder een uitzondering voor de /r/ vóór
stemloze obstruenten in de coda in het Roermonds, die in die omgeving stemloos is, zodat op
bijv. zjwart geen Accent 2 mogelijk is.
7
In het Roermonds en het Maasbrachts komt alleen
Accent 1 voor in rijmen met korte hoge gespannen klinkers plus nasaal (/ * /)
(Hermans 1994: 302f) en alleen Accent 2 in rijmen met een nasaal plus (onderliggend)
stemloze obstruent, zoals // (Hermans 1994: 312). Het Venloos kent deze laatste
beperking ook op finale lettergrepen met secondaire klemtoon, zodat Accent 2 tweemaal kan
voorkomen op hetzelfde woord, zoals olifant /+'
,
(
,
/, dat om die reden het fonologische
patroon van een samenstelling heeft (Gussenhoven & van der Vliet 1999).
Volgens de oudere literatuur komt het contrast in de West-Limburgse dialecten van
Hasselt, Tongeren en Borgloon ook voor op lettergrepen met één sonorante mora. Grootaers
(1944: 88ff) geeft voor het Tongers een groot aantal minimale paren van CVC-woorden, zoals
/
1
/ ‘big’ vs. /
2
/ ‘bak’, /
-
/ ‘(hij) smeedt’ vs. /
2
/ ‘(hij) smijt’ en /
-
/
‘muisje’ vs. /

,
/ ‘mesje’. Uit Stevens (1986) valt een minimaal quadruplet te ontlenen,
waarbij het tooncontrast met een kwantiteitscontrast gecombineerd wordt: /&
1
/ ‘jongen’,
20
/&
2
/ ‘gerst’, /&
1
/ ‘gas’, /&
2
/ ‘gans’. Het bestaan van Accent 2 op lettergrepen met
korte klinker en obstruent wordt ook voor het Hasselts vermeld (Stevens 1952: 10, Grootaers
& Grauls 1930, 31, 95).
Er zijn aanwijzingen dat in de West-Limburgse dialecten het contrast op lettergrepen
met één sonorante mora onder druk staat. Volgens Stevens (1955: 138) is een verschil tussen
Accent 1 en Accent 2 in lettergrepen met één sonorante mora in de Kempen, het gebied rond
Genk, en de Haspengouw tussen Maastricht-Lanaken en Millen-Hoeselt-Beverst, vaak niet te
horen. Heijmans (1999) vond voor het Tongers geen verschil. Voor het Hasselts geeft
Staelens (1989) aan dat er geen contrast is als de consonant een stemloze plosief is. De
metingen in Peters (ter perse) wijzen er echter op dat in het Hasselts ook lettergrepen als /kat/
het contrast kunnen dragen. Ook in het Loons (het dialect van Borgloon) komt Accent 2
zowel op lettergrepen met zowel één als twee sonorante mora’s voor (Peters 2007).
Wanneer we de dialecten van Maastricht en Genk bij deze data betrekken, dan zien we
hier weer dat het Centraal-Limburgs een tussenpositie inneemt. In het Maastrichts is het
contrast vrijwel beperkt tot lettergrepen met twee sonorante mora’s, maar is het sporadisch
bewaard op lettergrepen waarvan de tweede sonorante mora ook dienst doet als onset van de
volgende lettergreep, dus ambisyllabisch is, zoals in /./0/ ‘onderhemd’ (Gussenhoven &
Aarts 1999; zie ook Houben 1905). Ook het Genks vertoont het tooncontrast op lettergrepen
met een ambisyllabische tweede mora volgens Goossens (1959: 161), zoals in /1/
‘binnen’ vs. /0/ ‘binden’. In het Maastrichts wordt het tooncontrast nog verder beperkt
door de segmentele samenstelling van het rijm. Behalve als // volgt, kent het Maastrichts het
contrast niet in lettergrepen met een hoge gespannen klinker, in welk geval er alleen een
kwantiteitscontrast bestaat (/*/ vs. /'*''/). Ook bestaat het niet in lettergrepen met
open middenklinkers (/' %''/) of in lettergrepen gesloten door een halfvocaal (Gussen-
hoven & Aarts 1999).
8
5 De oorsprong
Algemeen wordt aangenomen dat Keulen, historisch gezien de belangrijkste metropool in het
gebied, de bakermat van de Limburgse toon is.
9
Er zijn een aantal correlaties vastgesteld
tussen de woordaccenten en andere factoren (vgl. de Vaan 1999). Een verklaring voor het
ontstaan van het tooncontrast, de tonogenese, zou redelijkerwijs met één of meer van die
contexten in verband kunnen worden gebracht. Sectie 4.1 stelt de meest genoemde
fonologische correlaties aan de orde, en sectie 4.2 een morfologische.
5.1 Segmentele correlaties met het woordaccent
Lange hoge klinkers hebben vaak Accent 2, behalve wanneer ze gevolgd worden door een
stemhebbende consonant in de onset van een zwakke lettergreep; andere klinkers hebben vaak
Accent 1. De tendenzen staan bekend als ‘Regel A’ (zie Tabel 2).
21
Tabel 2. Correlaties tussen de woordaccenten (‘1’, ‘2’) en segmentele factoren in ‘Regel A’.
V=lange klinker, C=consonant, D=stemhebbende consonant, T=stemloze consonant.
VC VD VT
hoge klinkers Accent 2 Accent 1 Accent 2
niet-hoge klinkers Accent 1 Accent 1 Accent 1
Deze correlaties zijn niet moeilijk thuis te brengen. Hoge klinkers hebben van nature een
hogere stembandtrilling dan lage klinkers, de ‘intrinsieke F0’ (waar F0 de frekwentie van de
stembandtrilling aangeeft). Daarnaast hebben stemloze consonanten in vergelijking met
stemhebbende een verhogend effect op de F0 tijdens de onmiddellijk aangrenzende delen van
klinkers (vgl. Rietveld & Van Heuven 1997: 47, Gussenhoven 2004: 7). In de vroegste fase
zou bij mededelende intonatie Accent 1 een daling kunnen zijn geweest, en dus lage
toonhoogte aan het eind van de lettergreep kunnen hebben gehad, terwijl Accent 2 in
vergelijkbare situaties wat langer een hoge toonhoogte zou hebben kunnen houden. Hoge
klinkers, met hun hoge intrinsieke stembandtrilling, zouden dan gemakkelijk Accent 2 kunnen
hebben, behalve als er een stemhebbende consonant, en dus een lage F0, op volgt.
Een aantal voorstellen voor de tonogenese zijn op deze correlaties gebaseerd (zie de
Vaan 1999, Gussenhoven 2000c: 221). Er zijn echter wel bezwaren tegen een dergelijk
scenario in te brengen. Ten eerste zijn er geen indicaties dat het tooncontrast juist in de
context ‘hoge klinker met obstruent in de coda’ het eerst of vaker aanwezig was, iets dat op
grond van de regelmatigheid van ‘Regel A’ te verwachten zou zijn. Ten tweede zijn er geen
(overige) gevallen bekend waarin intrinsieke F0 tot tonogenese heeft geleid. Ten derde wordt
niet duidelijk waarom lettergrepen met Accent 2 typisch langer zijn dan die met Accent 1.
Overigens zijn segmentele correlaties van het soort dat in Tabel 2 is gegeven niet onbekend in
talen die op andere gronden een lexicale toon in hun fonologie kregen. Zo geeft Svantesson
(2001) vergelijkbare gegevens voor het U, een Mon-Khmer taal die in de Chinese provincie
Yunnan wordt gesproken, in een situatie waarin hij aanneemt dat de lexicale toon door
ontlening is verkregen. Dit zou erop kunnen duiden dat de oorsprong van de Frankische toon
elders ligt dat de segmentele correlaties na de tonogenese zijn ontstaan. Het tooncontrast zou
eerst in een beperkt deel van de woordenschat kunnen zijn ontstaan, en zich vervolgens in de
rest van de woorden op fonetisch natuurlijke wijze, d.w.z in overeenstemming met de
intrinsieke F0 van klinkers en de effecten op F0 door consonanten, hebben kunnen
verspreiden.
5.2 Een morfologische correlatie
Er is ook een morfologische correlatie geconstateerd die minder aandacht heeft gekregen dan
de fonologische. Volgens Grootaers & Grauls (1930) hebben in het dialect van Genk de
etymologische tegenhangers van alle enkelvoudsvormen van Nederlandse zelfstandige
naamwoorden die een korte klinker in het enkelvoud hebben en een lange in het meervoud
(vgl. dag dagen) Accent 2. Deze observatie dient gezien te worden in het licht van het
gegeven dat alle tot nog toe onderzochte dialecten het tooncontrast gebruiken om in een
beperkte groep frequente monosyllabische woorden het morfologische getal aan te geven,
22
waarbij het enkelvoud steeds Accent 2 heeft en het meervoud Accent 1, zoals in (11)-(12)
werd geïllustreerd (Lahiri, Riad & Jacobs 1999: 374). In het dialect van het Oost-Limburgse
Helden, om een willekeurig voorbeeld te noemen, zijn dat !] ‘been’ !2# ‘berg’,
!# ‘dag’, !2# ‘darm’, !2# ‘arm’, !# ‘rabbit’, !**# ‘varken’, !)++#
‘schoen’, !# ‘steen’, !# ‘weg’ (met dank aan Frank van den Beuken).
10
5.3 Het behoud van een morfologisch contrast en het ontstaan van de toon
In Gussenhoven (2000c) zijn de observaties in sectie 5.2 uitgewerkt tot een scenario waarin de
tonogenese een morfologische basis heeft. Meervoudsvormen als dagen zijn ontstaan uit
Rekking in Open Lettergrepen (ROL), waardoor een oorspronkelijke meervoudsvorm als
!3# ‘dagen’ zich tot !3#ontwikkelde. Datzelfde gebeurde met de datief enkelvoud,
dat een !#4suffix had. Door ROL ontstonden dus verschillende vormen voor hetzelfde
morfeem, omdat de nominatief enkelvoud nog steeds een korte klinker had in de onverbogen
vorm. Nu wordt een onregelmatig paradigma vaak weer regelmatig door generalisatie van één
van de vormen. Omdat de lange klinker zowel in het meervoud als het enkelvoud voorkwam
en de korte alleen in het enkelvoud, zal in dit geval de lange klinker worden gegeneraliseerd,
via een Analoge Rekking (AR). Stel dat dit ten oosten van Keulen inderdaad gebeurde, maar
ten westen niet, als schematisch aangegeven in (28). We geven hier hypothetische vormen,
waarbij de historische [g], in het Hoogduits nog aanwezig, door een fricatief is vervangen, als
in het hedendaags Keuls en Nederlands. In de tweede regel staat het effect van ROL, die voor
alle drie de varianten de klinker in het meervoud lang maakte, en in de derde regel de
toepassing van AR ten oosten van Keulen.
(28)   
& & & & & &
 & & &
 4 5 
Wat kan de reden zijn dat AR niet overal is doorgevoerd? Stel dat in Keulen en het westelijke
gebied Apocope actief was ten tijde van de invoering van AR in het oosten, waardoor het
meervoud  werd.
11
Men zou zich dan van AR moeten onthouden, wegens dreigend
verlies van de getals- en casusmarkering. Maar in Keulen zelf zou men zich toch enigszins
willen aanpassen aan de oostelijke verlenging in het enkelvoud: een rekking van de korte
klinker die hem niet doet samenvallen met de lange klinker in het meervoud. Deze rekking
van korte klinkers van de enkelvoudsvormen is in ons scenario inderdaad opgetreden, en is als
toon geanalyseerd. De fonologische interpretatie moet HHL zijn geweest, overeenkomstig een
uitspraak waarbij de hoge toonhoogte van de korte klinker verlengd wordt en de daling op het
eind van de lettergreep komt. Deze vorm contrasteert met de uitspraak van monosyllaben met
lange klinker, zoals de meervoudsvormen, waarin de daling als gebruikelijk plaatsvindt, en
die HL hebben. In deze situatie kan HL (of H* L
i
) de gebruikelijke mededelende intonatie
23
zijn, maar is de extra H een lexicale toon.
12
Toen eenmaal het contrast tussen de enkelvouds-
en meervoudsvormen gegarandeerd was, kon de korte klinker ook fonologisch lang worden.
Dit is schematisch weergegeven in (29).
(29)  
& & & & & &
& & &
 4 4 
 4 !'# 4
4  4
6
 4  4
6
  &    &
6
Minimale paren als [] ‘dag’ met sleeptoon en [] ‘dagen’ met stoottoon komen in
alle dialecten voor, zoals eerder aangegeven voor het Heldens. Deze morfologische
regelmatigheid ook gevonden bij woorden die nooit ROL hebben ondergaan, zoals bij []
‘konijn’, waarin de klinker altijd al lang was. Dat moet een gevolg zijn van de algemene inzet
van het tooncontrast voor de markering van de meervoudsvorming (Lahiri, Riad & Jacobs
1999). Generalisaties van fonologische verschillen tussen enkel- en meervoudsvormen heeft
zich vaker voorgedaan, zoals in het geval van umlaut, waardoor umlaut voorkomt in
meervouden die oorspronkelijk niet aan de fonologische condities voldeden als in het Venlose
['2 %'2] ‘woord-SG-PL’. Zo heeft het Keuls nu naast [
-
] als het meervoud van
[
,
# Daach ook de meervouden !
-
)# Dääch en !
-
2#Dage.
13
Het meervoudssuffix
-e(n) heeft mogelijk in het hele Duits-Nederlandse gebied de strijd om de productieve
meevoudsvorming gewonnen.
Dit scenario verklaart niet alleen het ontstaan van de toon, maar ook de merkwaardige gerekte
uitspraak van Accent 2, die vooral in het Keuls en de Centraal-Limburgse dialecten voorkomt.
Het Oost-Limburgs, waar de gerekte uitspraak vrijwel afwezig is, kan in dit licht worden
gezien als een dialect waarin het toon- en intonatiesysteem drastisch is gereorganiseerd,
zodanig dat de rol van duur in de realisatie van het contrast is teruggebracht en die van de
toonhoogte is versterkt. Het Keuls en het Maastrichts zijn in deze interpretatie beide
conservatief.
Voor de verklaring in (29) is het niet noodzakelijk dat het uitblijven van Analoge
Rekking in het Nederlands verklaard wordt door de vermijding van homofonie. Het gaat erom
dat de Analoge Rekking niet voorkwam, en het pre-tonale gebied ingeklemd zat tussen een
westeljke variant met korte klinkers in het enkelvoud en een oostelijke met lange. Maar het is
niet onredelijk te veronderstellen dat er ook ten westen van het Limburgse gebied apocope
24
plaats vond in vormen als dage ‘dagen’. Direct ten noorden van het toongebied komen nu nog
paren als dag - daag voor, zoals in Groesbeek.
5.4 Fonetische geleidelijkheid en fonologische discontinuïteit
Onafhankelijk van de vraag waarom de Nederlandse enkelvouden geen lange klinker hebben
gekregen kan men het Keuls dus zien als een compromis tussen het Nederlands en het Duits.
Dit beeld is in de dialectologische en sociolinguistische literatuur een gemeenplaats. Zo ligt
tussen de Randstedelijke variant, met zijn stemloze uvulaire !# in gas en chaos, en de Zuid-
Nederlandse varianten waarin een contrast bestaat tussen de stemhebbende velaire !# van
gas en de stemloze velaire !# van chaos, een strook langs de rivieren waarin de fricatief
stemloos is en er geen contrast bestaat, maar de articulatieplaats velair is, dus !# in zowel gas
als chaos. Tussen het Limburgse !)++# en het Randstedelijke !#voor schoen ligt het
Nijmeegse !)7#, dat als de standaardtaal twee beginconsonanten heeft, maar waarbij de
eerste als de Limburgse !)# is en de tweede een palatale articulatieplaats heeft en daardoor
dicht in de buurt komt van de palato-alveolaire !)#. Deze geografische en sociale
geleidelijkheid wordt verklaard doordat sprekers hun spraak aanpassen aan de leden van
flankerende regionale en sociale groepen: vernieuwingen worden in een bepaald gebied
overgenomen, waarna een geografische of sociale zone volgt waarin zich taalvormen
ontwikkelen die een compromis zijn tussen de oude en de nieuwe vorm. Dat het hier gaat om
fonetische geleidelijkheid wordt goed geïllustreerd door het scenario in (29), dat ervan uitgaat
dat de rekking van de klinker in het enkelvoud voorafging aan het ontstaan van het
tooncontrast. Fonologische geleidelijkheid is altijd een afgeleide van fonetische
geleidelijkheid, en ontstaat doordat de interpretatie van ongeveer dezelfde spraakklanken tot
soortgelijke fonologische oplossingen leidt (Gussenhoven 2004: 251). Maar rigoureuze
discontinuïteiten in de fonologie kunnen niet worden uitgesloten, zoals in het geval van de
overgang van het tonale dialect van Baexem naar het niet-tonale dialect van Weert. Sprekers
van beide dialecten gebruiken de termen ‘stoottoon’ en ‘sleeptoon’ om het verschil aan te
geven dat zij maken tussen enkelvoud en meervoud van erm en bein, en hoewel de uitspraak
van deze woorden door de twee groepen sprekers zo op het eerste gehoor niet veel verschil
vertoont, maken de Baexenaren een fonologisch onderscheid tussen twee tonen
(respectievelijk ! 6 82 6# en ! 82#, maar maken de Weertenaren een
segmenteel verschil in het geval van bein (respectievelijk ! 8# en een
kwantiteitsverschil in het geval van erm (respectievelijk !8'282# (Heijmans 2003). Zo
is het ook in principe niet verbazingwekkend dat de tonale dialecten van het Duits en
Nederlands in fonologische zin zo sterk afwijken van de hun omringende dialecten.
6 Conclusie
Onze samenvatting gaf de hoofdlijnen aan in de resultaten van het onderzoek naar de tonen
van het Limburgs. Tal van kwesties zijn onaangeroerd gebleven, zoals het verschijnsel dat aan
25
de periferie van het toongebied in Duitsland een distributie van de woordaccenten wordt
gevonden die het omgekeerde is van wat boven als ‘Regel A’ werd aangeduid (‘Regel B’,
Schmidt 1986), of het gegeven dat zich in latere ontwikkelingen verdere correlaties hebben
ontwikkeld met klinkerkwaliteit. Ook hebben we weinig of geen aandacht besteed aan de
waarneembaarheid van het contrast in de verschillende dialecten, aan de vraag in hoeverre er
tonale dialecten in Duitsland, Nederland, België en Luxemburg zijn verdwenen, of aan de
mate waarin de nog aanwezige contrasten bedreigd zijn. Ook de vraag in welke mate sprekers
van tonale dialecten hun toonhoogtecontouren gebruiken bij het spreken van
Standaardnederlands of Standaardduits blijft hier onbeantwoord.
14
De gegeven informatie geeft hopelijk toch een beeld van de complexiteit van het
verschijnsel, en van de vele facetten die voor ons inzicht in de aard van taal van belang zijn. Wij
benadrukken hierbij nog eens dat in ons eigen onderzoek op elke nieuwe locatie een nieuwe variant
werd gevonden. De dialecten van veel plaatsen blijven onbeschreven. Wie geïnteresseerd is in de
aard van fonetische en fonologische variatie, of in de vraag hoe kinderen grammatica’s construeren
op grond van de taal die zij krijgen aangeboden kan bij de Limburgse tonen zijn hart ophalen.
26
Bibliografie
Atterer, Michaela & D. Robert Ladd (2004). On the phonetics and phonology of
"segmental anchoring" of F0: evidence from German. Journal of Phonetics 32, 177-197.
Bakkes, Pierre (1996). Variatie en verandering in het Montforts. Amsterdam: P. J. Meertens-
Instituut.
Beuken, Frank van den (2007). Lexical tone contrast in the Dutch dialect of Helden. MA
Thesis. Radboud University Nijmegen.
Brounts, Pol, Gaston Chambille, Joop Kurris, Twajn Minis, Harry Paulissen & Miek
Simais (2004). De nuie Mestreechsen dictionair. Maastricht: Veldeke-Kring
Mestreech.
Bruce, Gösta (1977). Swedish word accents in sentence perspective. Lund: Gleerup.
Cajot, José (2006).Phonologisch bedingter Polytonieverlust: Eine tonlose Enklave südlich
von Maastricht. In M. de Vaan (ed.), Germanic Tone Accents. Stuttgart: Steiner, 11-
23.
Dols, Willy (1941). Een phonologisch probleem der Limburgsche dialecten. Onze Taaltuin
9,193-211.
Fournier, Rachel, Jo Verhoeven, Marc Swerts & Carlos Gussenhoven (2006). Perceiving
word prosodic contrasts as a function of sentence prosody in two Dutch Limburgian
dialects. Journal of Phonetics 34, 29-48.
Frings, Theodor (1913). Studien zur Dialektgeographie des Niederrheins zwischen
Düsseldorf und Aachen. Marburg.
Frings, Theodor (1916). Die rheinische Accentuierung. Vorstudie zu einer Grammatik der
rheinischen Mundarten. Marburg: Deutsche Dialektgesellschaft.
Goossens, Jan (1959). Historisch onderzoek van sleeptoon en stoottoon in het dialect van
Genk. Tongeren: Michiels.
Goossens, Jan (1965). Die Gliederung des Südniederfränkischen. Rheinische
Vierteljahresblätter 30, 79-94.
Grootaers, L. (1910). Het dialect van Tongeren. Eene phonetisch-historische studie. Leipzig:
Harrassowitz.
Grootaers, L. (1913). De quantiteit der vocalen in het dialect van Tongeren. Leipzig:
Harrassowitz.
Grootaers, L. (1921). Limburgsche Accentstudiën. Leuvense Bijdragen 13, 80-98.
Grootaers, L. & J. Grauls (1930). Klankleer van het Hasseltsch dialect. Leuven: de
Vlaamsche Drukkerij.
Grootaers, L. (1944). Bijdrage tot de Zuidlimburgsche tonologie. In H. Draye (ed.),
Feestbundel H. J. van de Wijer, Deel II. Leuven: Instituut voor Vlaamsche toponymie,
85-106.
Grootaers, L. (1952). Kehlkopfverschluß in Rheinland und Westflandern. Rheinische
Vierteljahresblätter 17, 385-389.
27
Gussenhoven, Carlos (2000a). The lexical tone contrast of Roermond Dutch in Optimality
Theory. In M. Horne (Ed.), Intonation: Theory and Experiment (pp. 129-167).
Amsterdam: Kluwer. [Also ROA-382]
Gussenhoven, Carlos (2000b). The boundary tones are coming: On the non-peripheral
realization of intonational boundary tones. In M. Broe & J. Pierrehumbert (Eds.),
Papers in Laboratory Phonology V.: Acquisition and the Lexicon (pp. 132-151).
Cambridge: Cambridge University Press.
Gussenhoven, Carlos (2000c). On the origin and development of the Central Franconian
tone contrast. In Aditi Lahiri (ed.) Analogy, Levelling, Markedness. Berlin: Mouton
de Gruyter. 215-260
Gussenhoven, Carlos (2004). The Phonology of Tone and Intonation. Cambridge:
Cambridge University Press.
Gussenhoven, Carlos (2005). Transcription of Dutch Intonation. In Sun-Ah Jun (ed.)
Prosodic Typology: The Phonology and Intonation and Phrasing. Oxford: Oxford
University Press, 118-145.
Gussenhoven, Carlos & Flor Aarts (1999). The dialect of Maastricht. Journal of the
International Phonetic Association, 29, 155-166.
Gussenhoven, Carlos & Peter van der Vliet (1999). The phonology of tone and intonation
in the Dutch dialect of Venlo. Journal of Linguistics, 35, 99-135.
Gussenhoven, Carlos & Jörg Peters (2004). A tonal analysis of Cologne Schärfung.
Phonology, 21, 251-285.
Hanssen, Judith (2005). Tone and intonation in the dialect of Sittard. MA-scriptie, Radboud
Universiteit Nijmegen.
't Hart, Johan, René Collier & Anthonie Cohen (1990). A perceptual study of intonation.
Cambridge: Cambridge University Press.
Hayes, Bruce & Aditi Lahiri (1991). Bengali intonational phonology. Natural Language
and Linguistic Theory 9, 47-96.
Heijmans, Linda (1999). The representation of the Tongeren lexical tone contrast.
Curusopdracht Field Methods in Phonology; LSA linguistic institute.
Heijmans, Linda (2003). The relationship between tone and vowel length in two neighboring
Dutch Limburgian dialects. In P. Fikkert & H. Jacobs (Eds.), Development in Prosodic
Systems. New York: Mouton de Gruyter, 7-45.
Hermans, Ben (1985). Het Limburgs en het Litouws als metrisch gebonden toontalen.
Spektator 14, 48-70.
Hermans, Ben (1994). The Composite Nature of Accent: With Case Studies of the
Limburgian and Serbo-Croatian Pitch Accent. Tilburg: Katholieke Universiteit.
Heuven, Vincent J. J. P. van & J. Haan (2002). Temporal development of interrogativity
cues in Dutch. In Gussenhoven, Carlos & NatashaWarner (Ed.), Laboratory
Phonology 7. (Phonology & Phonetics, 4-1, pp. 61-86). Berlin: Mouton de Gruyter.
28
Hognestad, Jan K. (2006). Tonal accents in Stavanger: From Western towards Eastern
Norwegian prosody. In Gösta Bruce & Merle Horne (red.) Nordic Prosody.
Proceedigns of the IXth Conference, Lund 2004. Peter Lang: Frankfurt am Main: 107-
116.
Houben, J.H.H. (1905). Het dialect der stad Maastricht. Maastricht: Leiter-Nypels.
Kats, J.C.P. (1939). Het Phonologisch en Morphonologisch Systeem van het Roermondsch
Dialects. Roermond-Maaseik: Romen & Zonen.
Lahiri, Aditi, Tomas Riad & Haike Jacobs (1999). Diachronic prosody. In Harry van der
Hulst (ed.) Word prosodic systems in the languages of Europe. Berlijn: Mouton de
Gruyter, 335-422.
Liberman, Anatoly (1999). Schärfung/Stoottoon and Trägheitsakzent/Sleeptoon in the
Rhein/Limbourg area and their Scandinavian analogues. In Edgar C. Polomé & Carlos
F. Justus (eds.) Language Change and Typological Variation. In Honor of Winfred P.
Lehmann on the Occasion of his 83rd Birthday. Wachington: Institute for the Study of
Man. 275-298.
Liberman, Anatoly (2006). Epenthetic consonants and the accentuation of words with old
closed vowels in Low German, Dutch, and Danish dialects. In Michiel de Vaan (ed.)
Germanic Tone Accents. Stuttgart: Steiner, 73-83.
Peeters, F. J. P. (1951). Het klankkarakter van het Venloos. Nijmegen: Centrale Drujjerij.
Peters, Jörg (1999). The timing of nuclear high accents in German dialects. Proceedings of
the 14th International Congress of Phonetic Sciences, San Francisco, 1 - 7 augustus
1999, Vol. 3, 1877-1880.
Peters, Jörg (2006a). The Cologne word accent revisited. In M. de Vaan (ed.), Germanic
Tone Accents. Stuttgart: Steiner, 107-133.
Peters, Jörg (2006b). The dialect of Hasselt. Journal of the International Association of
Phonetics 36, 117-125.
Peters, Jörg (2007). A bitonal lexical pitch accent in the Limburgian dialect of Borgloon. In
T. Riad & C. Gussenhoven (eds.), Tones and Tunes, Vol. 1, Typological and
Comparative Studies in Word and Sentence Prosody. Berlin: de Gruyter, 167-198.
Peters, Jörg (ter perse). Tone and intonation in the dialect of Hasselt. Verschijnt in
Linguistics.
Pierrehumbert, Janet B. (1980). The phonology and phonetics of English intonation. PhD
thesis, MIT, published 1980 by Indiana University Linguistics Club, Bloomington,
Indiana.
Rietveld, A. C. M. & V. J. van Heuven (1997). Algemene fonetiek. Bussum: Coutinho.
Schmidt, Jürgen Erich (1986). Die mittelfränkischen Tonakzente (Rheinische
Akzentuierung). Stuttgart: Steiner.
Schrijnen, Jos. (1920). De isoglossen van Ramisch in Nederland. Bussum: Paul Brand.
29
Schutter, George de, Boudewijn van den Berg, Ton Goemans, Thera de Jong (2005).
Morfologische Atlas van de Nederlandse Dialecten I. Amsterdam: Amsterdam
University Press.
Sievers, E. (1881). Grundzüge der Phonetik. 2de editie. Leipzig: Breitkopf & Härtel.
Staelens, Xavier (1989). Dieksjenèèr van 't (H)essels. Nederlands - Hasselts Woordenboek.
Hasselt: de Langeman (3de editie).
Stevens, A. (1952). Struktuur en Historische Ondergrond van het Haspengouws
Taallandschap. In Het oude land van Loon 7, 7-19.
Stevens, A. (1955). Intonatieproblemen in en om West-Limburg. Taal en Tongval 7,135-142.
Stevens, A. (1986). Túngërsë diksjënéér. Woordenboek van het Tongers. Tongeren:
Vanormelingen.
Svantesson, Jan-Olof (2001). Tonogenesis in South-East Asia: Mon Khmer and beyond. In
Shigeki Kaji (ed.) Proceedings of the Symposium on Cross-Linguistic Studies of Tonal
Phenomena: Tonogenesis, Typology, and Related Topics. Tokio: Institute of
Languages and Cultures of Asia and Africa, Tokyo University of Foreign Studies, 45-
58.
Vaan, Michiel de (1999). Towards an explanation of the Franconian tone contrast.
Amsterdamer Beiträge zur Älteren Germanistik 51, 23-44.
Vaan, Michiel de (ed.) (2006). Germanic Tone Accents. Stuttgart: Steiner.
Wiesinger, P. (1983). Die Einteilung der deutschen Dialekte. In W. Besch et al. (ed.),
Dialektologie. Ein Handbuch zur deutschen und allgemeinen Dialektforschung.
Zweiter Halbband. Berlin/New York: de Gruyter, 807-900.
1
In ToDI wordt in plaats van de subscript iota het procentteken gebruikt, %T voor initiële en
T% voor finale grenstonen. Zie http://todi.let.ru.nl/
2
Dit betekent niet dat er geen fonetische verschillen kunnen zijn tussen vragen en
mededelingen. In alle talen kunnen fonologische structuren verschillend worden uitgesproken
afhankelijk van wat de spreker bedoelt. Zo kan het woord klein met hoge toonhoogte worden
uitgesproken om de kleine omvang te benaderen, en kan het woord vervelend met extra lange
beklemtoonde klinkers worden uitgesproken zonder dat de fonologische identiteit van die
klinkers verandert. In de standaardtaal worden vaak dezelfde fonologische intonatiepatronen
gebruikt voor zowel vragen als mededelingen, maar bij vragen ligt de toonhoogtepiek
gemiddeld zo’n 40 ms later ten opzichte van de beklemtoonde lettergreep dan in
mededelingen (van Heuven & Haan 2000).
3
We geven de associatie van tonen steeds met een associatielijn aan, en houden de ster op de
H van het toonhoogteaccent LH*. Peters (ter perse) gebruikt de ster ter markering van de toon
die daadwerkelijk associeert, zoals de lexicale L in (8).
4
Zie bijvoorveeld Peters (1999) voor het verschil tussen het Duits van Hamburg en Berlijn,
Atterer & Ladd (2004) voor het noordelijk en zuidelijk Hoogduits, en Hognestad (2006) voor
het West-Noors en het Oost-Noors.
5
Voor het gemak rekenen we Tongeren evenals Hasselt en Borgloon tot te West-Limburgse
dialecten. In dialectologisch opzicht behoort Tongeren bij een overgangsgebied tussen het
Centraal-Limburgs en het West-Limburgs (Goossens 1965).
30
6
Anders dan Grootaers (1910: 125) en Grootaers & Grauls (1930: 134) stelden, ligt de piek
niet altijd op de lettergreep die direct volgt op de geaccentueerde lettergreep. De piek gaat wel
steeds vooraf aan een eventuele volgende lettergreep met woordklemtoon (Peters ter perse).
7
Lettergrepen met één sonorante mora verschillen zowel van lettergrepen met Accent 1 als
van lettergrepen met Accent 2. In het Roermonds is bij neutrale intonatie de daling vanaf een
niet-finaal woord als kat minder steil dan bij een woord met Accent 1. De vorm van de daling
lijkt op die bij een lettergreep met Accent 2, maar de daling komt door de geringere duur
vroeger ten opzichte van het begin van de lettergreep.
8
Volgens Brounts et al. (2004) wordt Accent 2 ook op lettergrepen met korte klinker en /w/
gerealiseerd. In hun voorbeelden gaat het echter om rijmen met diftongen die ten onrechte met
/w/ zijn getranscribeerd (Flor Aarts, persoonlijke mededeling).
9
Door Liberman (1999, 2006) is de suggestie gedaan dat de Middelfrankische toon en het
lexicale tooncontrast in het Noors/Zweeds historisch verwant zijn. Dit is onwaarschijnlijk, ten
eerste vanwege de grote geografische afstand tussen de twee toongebieden, die in deze visie
als relictgebieden van een ouder Noord-West Europees toongebied zouden zijn, en ten tweede
vanwege de verschillen in fonologische distributie. Het Limburgs kent het contrast op
monosyllabische vormen, het Scandinavisch alleen op woordinterne lettergrepen. Daarnaast
zijn er geen overtuigende aanwijzingen dat de Middelfrankische tonale woordklassen
etymologisch overeenkomen met de Scandinavische.
10
In een aantal West-Limburgse dialecten zijn het enkelvoud en meervoud van vaat
2
‘vat’
homofoon (de Schutter, van den Berg, Goemans, de Jong 2005); datzelfde geldt overigens
voor sjoon
2
‘schoen’ in het Roermonds (met dank aan Nieke Roos).
11
Deze veronderstelling wordt enigszins gesteund door de gegevens over de veertiende
eeuwse uitspraak van ‘zoon’ in het van Reenen-Mulder corpus, waar de apocope in Zuid-
Holland het verst gevorderd is, en de verandering dus onder andere oostwaarts verloopt.
http://www.meertens.knaw.nl/projecten/mand/MANDmand.html.
12
Gussenhoven (2000c) reconstrueert de tweede H als de lexicale toon (H) en de eerste dus
als de intonationele toon (H*), geïnspireerd door de situatie in de Oost-Limburgse dialecten.
Nader onderzoek naar de ontwikkeling van het tooncontrast wijst erop dat oorspronkelijk de
eerste H de lexicale toon was. In de huidige dialecten die in Keulen en in Belgisch Limburg
gesproken worden is de eerste toon steeds de lexicale toon (Heijmans 1999, Peters 2006a,b,
2007, ter perse; Gussenhoven & Peters 2004). De aanname van Gussenhoven & Aarts 1999
dat in het Maastrichts de lexicale toon na de intonationele komt moet mogelijk worden
herzien.
13
Het Standaardnederlands, en westelijke variant, heeft nu [99#en het Hoogduits,
een oostelijke variant, !3#.
14
Onderzoek naar de perceptie van het tooncontrast is onlangs uitgevoerd door Rachel
Fournier in een promotieproject aan de RU, en onderzoek naar de relaties tussen het
tooncontrast en segmentele factoren vindt plaats in het kader van een NWO-programma aan
het Meertens Instituut onder leiding van Ben Hermans en Marc van Oostendorp en aan de
UvA onder leiding van Paul Boersma.
... Limburgian is to be understood as an umbrella term for many different dialects. Comparable to the pitch-accents in different varieties of Japanese, Norwegian, and Swedish (Wetterlin, 2007;Tamaoka et al., 2014), the Limburgian tones may have different phonetic realizations across dialects, be embedded in different intonational systems or may be absent altogether (e.g., Gussenhoven, 2000a;Gussenhoven and Peters, 2008). The choice for the dialect of Roermond is partly motivated by the existence of a series of tone perception and production studies with adult speakers of Roermond Dutch (Fournier et al., 2006;Fournier, 2008;Fournier et al., 2010). ...
... Another finding that deserves some attention, especially in light of ongoing typological discussions about the phonological status of the Limburgian word prosodic contrast (e.g., Köhnlein, 2016, and references therein), is that Limburgian children were sensitive to MPs of both accent 1 and accent 2. Gussenhoven and Peters (2008) assume that accent 2 is the lexically specified tone, but our data provide no evidence for a perceptual asymmetry due to lexical (under)specification of one of the accents. It is possible that we did not attest an asymmetry due to a lack of power. ...
Article
Full-text available
In this study, Limburgian and Dutch 2.5- to 4-year-olds and adults took part in a word learning experiment. Following the procedure employed by Quam and Swingley (2010) and Singh et al. (2014), participants learned two novel word-object mappings. After training, word recognition was tested in correct pronunciation (CP) trials and mispronunciation (MP) trials featuring a pitch change. Since Limburgian is considered a restricted tone language, we expected that the pitch change would hinder word recognition in Limburgian, but not in non-tonal Dutch listeners. Contrary to our expectations, both Limburgian and Dutch children appeared to be sensitive to pitch changes in newly learned words, indicated by a significant decrease in target fixation in MP trials compared to CP trials. Limburgian and Dutch adults showed very strong naming effects in both trial types. The results are discussed against the background of the influence of the native prosodic system.
Article
Full-text available
Saterfrisian is spoken in the joint community of Saterland (sfr. Seelterlound) in the north-western corner of the district of Cloppenburg in Lower Saxony. The community of Saterland consists of the four villages Ramsloh, Strücklingen, Scharrel, and Sedelsberg. According to a survey by Stellmacher (1998: 27), an estimated 2250 long-time residents of Saterland aged 14 years and above assessed themselves as speaking Saterfrisian in 1995/96. Saterfrisian is the only East Frisian language that has survived the expansion of Dutch and German Low Saxon in the coastal regions of the Netherlands and Northern Germany since the Late Middle Ages. Saterfrisian therefore offers a unique opportunity to study an East Frisian language based on sound recordings in acoustic detail. One research area which particularly benefits from the acoustic analysis of recorded speech is the study of intonation. The present paper gives an overview of the phonology of Saterfrisian sentence intonation. Using the intonation of Northern Standard German as a frame of reference, we seek to identify the inventory of tones and tunes of Saterfrisian. We use autosegmental-metrical phonology as our theoretical framework. That is, we assume a tonal structure that is represented separately from the segmental string and consists of a linear sequence of local events. These events are lexical or postlexical tones, which associate to prosodic units or align with the edges of those units.
Article
Full-text available
Despite the fact that many of the world's languages use lexical tone, the majority of language acquisition studies has focused on non-tone languages. Research on tone languages has typically investigated well-known tone languages such as Mandarin and Cantonese Chinese. The current study looked at a Limburgian dialect of Dutch that uses lexical pitch differences, albeit in a rather restricted way. Using a visual habituation paradigm, 6- to 12-month-old Limburgian and Dutch infants were tested for their ability to discriminate Limburgian tones. The results showed that both Limburgian and Dutch infants discriminate the Limburgian tones throughout their first year of life. The role of linguistic experience, acoustic salience, and the degree of similarity to the native prosodic system are discussed.
Article
Full-text available
Recent research on intonational variation in West Germanic languages suggests that tonal variation among dialects of a single language may be larger than among national standard varieties like British English, Dutch, and German. However, most parts of the West Germanic language area are still uncharted territory as far as intonation is concerned. In particular, we know virtually nothing about the intonation of northern Dutch dialects and of Low German. This paper deals with intonational variation in the Dutch province of Groningen and the German province of East Frisia, covering Dutch Low Saxon, German Low Saxon, and Northern High German. We report results from two studies on intonational variation. First, a reading task was carried out to determine the tonal inventories and to detect variation in the use of nuclear tunes. Second, speakers were presented with sentences varying by focus condition to determine variation in the phonetic realisation of the same tunes. The results of the first study suggest that speakers of Dutch Low Saxon, German Low Saxon, and High German in the border area make use of the same inventory of nuclear tunes, but differ in the use of single tunes in various utterance types. The second study reveals differences in segmental lengthening, pitch timing, and pitch scaling. We conclude, first, that intonational variation in the northern Dutch-German border area is more likely to be found in the use of tunes and their phonetic realisation than in tonal grammar, and second, that intonational variation between Dutch and German Low Saxon is larger than that between German Low Saxon and local High German.
Chapter
Full-text available
The dialect of Cologne has a word accent distinction comparable to the distinction between Accent 1 and Accent 2 in Swedish and Norwegian. The word accent distinction is restricted to words whose stressed syllable contains at least two sonorant moras, i.e. a long vowel, a diphthong, or a short vowel and a sonorant consonant. It is used both to distinguish between different lexemes and between grammatical meanings. The present paper has three objectives. First, we examine the question whether Schärfung, as defined by Heike (1962), is actually used to distinguish between Accent 1 and Accent 2 in the dialect. Second, we ask whether our data provide evidence that the contrast is preserved even in the absence of Schärfung. Third, we propose an alternative phonological analysis along the line of Gussenhoven & Peters (2004), which accounts for a wider range of data than the classical Schärfung view.
Article
Full-text available
The intonational systems of the dialects of Dutch and German in an area covering a large part of the former German Rhineland (the northern half of Rhineland-Palatinate and the southern half of North Rhine-Westphalia), Luxemburg, the northeast of Belgium, and the southeast of the Netherlands resemble those of Norwegian and Swedish: in addition to the tones contributed by the intonation, there is an opposition between two tonal word accents.* The purpose of this chapter is to give an account of the way in which the lexical tone contrast in one of these dialects, that of the city of Roermond in the Dutch province of Limburg, is realised under different intonational conditions.1 The intonation tones with which the lexical tones combine should be divided into tones that mark the focus of the sentence, which appear in the syllable with primary stress in focused words, and tones that signal discoursal meanings, which appear at the boundaries of intonation phrases. Bruce (1977) showed that by making the appropriate comparisons, the lexical tones can be separated from both types of postlexical (intonational) tones: “By comparing F0-contours of words in final and non-final position, in and out of focus and with contrasting word accent out of focus, the individual F0-contributions of terminal juncture [sc. boundary tones, C.G.], sentence accent [sc. focus-marking tone, C.G.] and word accent (accent 1 and accent II) could be isolated.” (Bruce 1977: 37).
Chapter
Full-text available
Borgloon is one of the westernmost places in Belgian Limburg which has a word accent contrast, also known as the distinction between accent 1 and accent 2. To learn more about the tonal system of the local dialect two reading tasks were carried out. The first task examined how words which form tonal minimal pairs in the neighbouring dialects of Tongeren and Hasselt are realized in the dialect of Borgloon. The results attest substantial variation between the dialects, deriving both from variation in the distribution of accent 1 and accent 2 and from variation in the lexemes used. In the second task, tonal minimal pairs were embedded in different prosodic contexts. The results suggest that the dialect of Borgloon, like other Limburgian dialects, marks accent 2 by lexical tone, while accent 1 is lexically toneless. The Borgloon dialect differs, however, in marking accent 2 by a sequence of two lexical tones rather than by a single one.
Article
Full-text available
The Dutch dialect of Venlo has a lexical tone opposition comparable to the distinction between Accent I and Accent II in Scandinavian. The two word tone patterns are realised in a variety of different ways, depending on the intonation contour, on whether the word has a focus tone, and on whether it occurs finally or nonfinally in the intonational phrase (IP). Twelve such contexts are identified, and an autosegmental-metrical analysis is presented of the contours for the word tones in each of these. The analysis is instructive because of its clear illustration of the distinction between the phonological underlying representation and the phonological surface representation, as well as of the distinction between the latter representation and the phonetic realisation. In addition, because of the complexity of its tonal phonology, the dialect is of considerable typological interest for the study of word prosody and intonation.
Article
Full-text available
The West-Limburgian dialect of Hasselt has a word accent distinction comparable to the distinction between accent 1 and accent 2 in Swedish and Norwegian. To understand how Hasselt speakers interpret the accentual contrast, a reading task was carried out in which words differing by accent class only were embedded in different prosodic contexts. The results suggest that Hasselt speakers, like speakers of the more eastern dialects of Venlo, Roermond, and Cologne, mark accent 2 by lexical tone, while accent 1 remains lexically toneless. Hasselt speakers differ, however, both in the realization and the distribution of the accentual contrast. These differences are attributed to variation in tonal association. While the eastern speakers associate tones to sonorant moras, Hasselt speakers associate tones to syllables.
Conference Paper
Full-text available
Experimental studies on the timing of nuclear and prenuclear high accents in different languages have shown that the placement of the F0 peak is influenced by segmental factors as well as by the prosodic context. To examine possible effects of dialectal variation on the timing of nuclear high accents acoustic analyses were performed on spontaneous speech data recorded from speakers born in Berlin and Hamburg. The analyses demonstrate that: 1) the speakers use different alignment strategies; and 2) speakers from Hamburg tend to place the F0 peak earlier than speakers from Berlin. Results from the present study represent preliminary evidence that the timing of high accents may play an important role in prosodic variation of German dialects.