• vin·na
Naar frequentie zeldzaam

vinna, v

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van vinne
  • vin·na

vinna

  1. onbepaalde wijs, tweede vorm naast vinne, zie aldaar (betekenis [A]: oogsten)

vinna

  1. verleden tijd van vinna
  2. voltooid deelwoord van vinna (betekenis [A]: oogsten)

vinna

  1. gebiedende wijs van vinna (betekenis [A]: oogsten)

vinna

  1. verleden tijd van vinne
  2. voltooid deelwoord van vinne (betekenis [A]: oogsten)

vinna

  1. gebiedende wijs van vinne (betekenis [A]: oogsten)

vinna

  1. onbepaalde wijs, tweede vorm naast vinne, zie aldaar (betekenis [B]: winnen)

vinna

  1. verleden tijd van vinna
  2. voltooid deelwoord van vinna (betekenis [B]: winnen)

vinna

  1. gebiedende wijs van vinna (betekenis [B]: winnen)

vinna

  1. verleden tijd van vinne
  2. voltooid deelwoord van vinne (betekenis [B]: winnen)

vinna

  1. gebiedende wijs van vinne (betekenis [B]: winnen)

vinna, v

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van vinne