vinna, v
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van vinne
vinna
- onbepaalde wijs, tweede vorm naast vinne, zie aldaar
(betekenis [A]: oogsten)
vinna
- verleden tijd van vinna
- voltooid deelwoord van vinna
(betekenis [A]: oogsten)
vinna
- gebiedende wijs van vinna
(betekenis [A]: oogsten)
vinna
- verleden tijd van vinne
- voltooid deelwoord van vinne
(betekenis [A]: oogsten)
vinna
- gebiedende wijs van vinne
(betekenis [A]: oogsten)
vinna
- onbepaalde wijs, tweede vorm naast vinne, zie aldaar
(betekenis [B]: winnen)
vinna
- verleden tijd van vinna
- voltooid deelwoord van vinna
(betekenis [B]: winnen)
vinna
- gebiedende wijs van vinna
(betekenis [B]: winnen)
vinna
- verleden tijd van vinne
- voltooid deelwoord van vinne
(betekenis [B]: winnen)
vinna
- gebiedende wijs van vinne
(betekenis [B]: winnen)
vinna, v
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van vinne