• true
  • Afkomstig van het Oudnoorse werkwoord þrúga.
Naar frequentie 4899
vervoeging
onbepaalde wijs true
tegenwoordige tijd truer
verleden tijd truet
trua
voltooid
deelwoord
truet
trua
onvoltooid
deelwoord
truende
lijdende vorm trues
gebiedende wijs tru
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking

true

  1. overgankelijk dreigen
    «Arbeiderne truet med streik.»
    De werknemers dreigden met een staking.
  2. overgankelijk bedreigen, intimideren
    «Avtalen truer norske interesser.»
    Het akkoord bedreigt de Noorse belangen.