• stipt
  • In de betekenis van ‘nauwgezet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1704 [1]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen stiptstipterstiptst
verbogen stiptestipterestiptste
partitief stiptsstipters-

stipt

  1. precies op tijd komend
    • Het is vreemd dat hij er niet is, want hij is altijd zo stipt. 
  2. nauwgezet.
    • Stipte naleving hiervan is vereist. 

stipt

  1. met grote precisie
    • Deze aanwijzingen moeten stipt opgevolgd worden voor het beste resultaat. 
     Op de dag dat de vergunningen verstrekt werden zat ik stipt om middernacht klaar met drie computers binnen handbereik om er zeker van te zijn een startbewijs te bemachtigen.[2]
vervoeging van
stippen

stipt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stippen
    • Jij stipt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stippen
    • Hij stipt. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van stippen
    • Stipt! 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]