• spon
enkelvoud meervoud
naamwoord spon sponnen
verkleinwoord sponnetje sponnetjes

desponv/m

  1. stop in de vorm van een schijf met de vorm van een afgeplatte kegel, waarmee het ronde vulgat in een vat kan worden afgesloten
vervoeging van
spinnen

spon

  1. enkelvoud verleden tijd van spinnen
    • Ik spon. 
    • Jij spon. 
    • Hij, zij, het spon. 
71 %van de Nederlanders;
60 %van de Vlamingen.[3]