• scho·ne

schone

  1. verbogen vorm van de stellende trap van schoon
     Het was haar niet genoeg geweest om zich tussen de schone schijn van het leven van de Schlosses te bewegen, nee, ze had nog dichterbij willen komen, bij de littekens en de puistjes en de hete rode massa van hun hart.[1]
     Hoezo? Is er iets mee?' Ze liet haar duim over de hals glijden, een schone veeg door het stof.[1]
enkelvoud meervoud
naamwoord schone schonen
verkleinwoord schonetje schonetjes

deschonev

  1. vrouw met een fraai uiterlijk
    • Zei is een Hollandse schone. 
vervoeging van
schonen

schone

  1. aanvoegende wijs van schonen
98 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be