• sa·men·gaan

samengaan

  1. bij elkaar passen
    • Die twee grote banken gingen goed samen en daarom gingen ze fuseren. 
  2. het gemeenschappelijk doen van iets
    • Zij gaan samen op vakantie. 
98 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be