• rus·ten
  • In de betekenis van ‘uitrusten, rust nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rusten
rustte
gerust
zwak -t volledig

rusten

  1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
     Tante Nella is in haar slaapkamer aan het rusten.[3]
  2. rusten op: steunen op iets
     Laat je hand maar op haar rusten.[4]
  3. rusten op: stilstaan / niet bewegen
     Thea kijkt eerst naar de muilen voordat haar blik naar boven glijdt en even op zijn gezicht blijft rusten.[3]
     ' Clara's blik dwaalt van top tot teen over Thea's verschijning en blijft op haar gezicht rusten.[3]
  • Iets laten rusten
Niet meer opnieuw over een (vaak moeilijk) onderwerp beginnen
  • Niet zullen rusten voordat [...]
Iets per se gedaan willen krijgen
 Ik zal niet rusten voordat ik hem heb teruggevonden. 

derustenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rust
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]