enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  rive     la rive     rives     les rives  
  • ri·ve
  • Werkwoord [A]: afkomstig van het Oudnoorse woord rífa
  • Werkwoord [B]: afkomstig van het Oudnoorse woord rífr
  • Zelfstandig naamwoord: afkomstig van het Oudnoorse woord hrífa
vervoeging
onbepaalde wijs rive
tegenwoordige tijd river
verleden tijd rev
reiv
voltooid
deelwoord
revet
onvoltooid
deelwoord
rivende
lijdende vorm rives
gebiedende wijs riv
vervoegingsklasse Klasse 1 sterk
opmerking

rive, m / v

  1. (gereedschap) hark


  • ri·ve
  • Werkwoord [A]: afkomstig van de Oudnoorse werkwoorden rífa en hrífa
  • Werkwoord [B]: misschien afkomstig van het Oudnoorse woord rífr
  • Zelfstandig naamwoord [A]: afkomstig van het Oudnoorse woord hrífa
  • Zelfstandig naamwoord [B]: afkomstig van het Oudnoorse woord rífa
vervoeging
onbepaalde wijs rive
riva
tegenwoordige tijd riv
verleden tijd reiv
voltooid
deelwoord
rive
onvoltooid
deelwoord
rivande
lijdende vorm rivast
gebiedende wijs riv
vervoegingsklasse Klasse 1 sterk
opmerking [A] + [B]

[A] rive, v

  1. (gereedschap) hark

[B] rive, v

  1. spleet, scheur
  2. streep