rive
- ↑ rive (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
- ri·ve
- Werkwoord [A]: afkomstig van het Oudnoorse woord rífa
- Werkwoord [B]: afkomstig van het Oudnoorse woord rífr
- Zelfstandig naamwoord: afkomstig van het Oudnoorse woord hrífa
[A] rive
- overgankelijk scheuren
- overgankelijk raspen, wrijven
- overgankelijk branden, bijten
- overgankelijk afbreken, met de grond gelijk maken, plat gooien
- ri·ve
- Werkwoord [A]: afkomstig van de Oudnoorse werkwoorden rífa en hrífa
- Werkwoord [B]: misschien afkomstig van het Oudnoorse woord rífr
- Zelfstandig naamwoord [A]: afkomstig van het Oudnoorse woord hrífa
- Zelfstandig naamwoord [B]: afkomstig van het Oudnoorse woord rífa
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | rive riva |
| tegenwoordige tijd | riv |
| verleden tijd | reiv |
| voltooid deelwoord |
rive |
| onvoltooid deelwoord |
rivande |
| lijdende vorm | rivast |
| gebiedende wijs | riv |
| vervoegingsklasse | Klasse 1 sterk |
| opmerking | [A] + [B] |
[A] rive
- overgankelijk scheuren
- overgankelijk raspen, wrijven
- overgankelijk branden, bijten
- overgankelijk afbreken, met de grond gelijk maken, plat gooien
[B] rive