• prins
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vorst, koningszoon, adellijke titel’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1]
  • Van Latijn princeps, de eerste, de voornaamste [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord prins prinsen
verkleinwoord prinsje prinsjes

deprinsm

  1. (adel) hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. (adel) laagste koninklijke titel van een man of jongen
     Ook het eindpunt van de Ilias is verteltechnisch geraffineerd: de dood van de Trojaanse prins Hector, en verzoening van diens moordenaar Achilles met Hectors oude vader Priamus.[3]
     Het feest leek grootser dan dat van prins Charles en prinses Diana en getuigde van een volksverering van het slechte die zijn weerga niet kent, want deze Arkan stond al vanaf de jaren tachtig bij Interpol bovenaan op de lijst van meestge:ochte Europese boeven en moordenaars.[4]
  • Van de prins geen kwaad weten
Onschuldig zijn aan iets vervelends wat is gebeurd, of: iets verkeerds hebben gedaan of uitgelokt, maar niet bewust of opzettelijk; daarnaast ook wel gezegd over iemand die alleen maar veinst van niets te weten
  • Voor de prins draaien
Draaien van een molen zonder dat er nuttige arbeid wordt verricht
  • De Berkellandse windmolens draaiden zaterdag op Nationale Molendag 'voor de Prins': Dat is molenaarstaal voor onbelast draaien. "De uitdrukking stamt uit de Tachtig Jarige oorlog. Om de Spanjaarden te doen geloven dat er nog voedsel in overvloed was en ze beter niet konden aanvallen, lieten molenaars hun molen onbelast draaien.[5]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  • prins
enkelvoud meervoud
naamwoord prins prinse

prins

  1. (adel) prins (zoon van koning(in))
  2. (adel) prins (man van koningin)