kif

- kif
- (maatschappij), softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen met een hoog gehalte aan het werkzame bestanddeel THC
- Het woord kif staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "kif" herkend door:
| 51 % | van de Nederlanders; |
| 56 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ "kif" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
kif m
- (spreektaal) stickie, joint [1]
- (spreektaal) passie, fantasie, plezier
- «La moto, c’est son kif à Patou.»
- Motorrijden is Patou's passie. [1]
- «La moto, c’est son kif à Patou.»
- (spreektaal) verlangen
- «Il a le kif d’acheter une Merco.»
- Hij droomt ervan een Mercedes te kopen. [1]
- «Il a le kif d’acheter une Merco.»