juffrouw
- juf·frouw
de juffrouw v
- (jonge), gewoonlijk ongehuwde, vrouw
- ▸ ' Ik vroeg me af wat hij dacht - voelde hij zich gekwetst omdat ze hem niet had verteld dat ze ziek was, of was hij alleen maar geschokt en bedroefd omdat ze dood was? 'Ik wil graag dat u en juffrouw Rudge de begrafenis regelen,' zei hij.[3]
- ▸ ' 'Waarom niet? Wat denken ze dat ik heb gedaan?' 'Maakt u zich geen zorgen, juffrouw Bastien.[3]
- ▸ Zou ik minder bang zijn geweest als ik had geweten dat me daar het testament van juffrouw Marjorie Quick zou worden voorgelezen? Ik zou het niet weten.[3]
- Ze was toen nog maar een juffrouwtje, en een echte schoonheid.
- (kindertaal) lerares, onderwijzeres, juf
- De juffrouw riep ons terug van het schoolplein.
- Het woord juffrouw staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "juffrouw" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "juffrouw" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ juffrouw op website: Etymologiebank.nl
- 1 2 3 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be