jam

- jam
de jam m
- (voeding) (fruit) een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
- Als je iets zoets wil pak je maar een boterham met jam.
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
- Het woord jam staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "jam" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- 1 2 "jam" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ jam op website: Etymologiebank.nl
- ↑ jam op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
jam
- (voeding) jam
- «There is blueberry jam is this jar.»
- Er zit bosbessenjam in deze pot.
- «There is blueberry jam is this jar.»
- gedrang, opstopping
- (media), (communicatie) radiostoring
- [1] confiture
- [2] congestion
jam
- onovergankelijk klemmen, klemzitten, vastzitten, blijven steken
- «The elevator jammed.»
- De lift zat vast.
- «The elevator jammed.»
- onovergankelijk dringen
- overgankelijk blokkeren, vastzetten
- overgankelijk duwen
- overgankelijk, (voeding) ergens jam van maken
- overgankelijk, (voeding) jam over iets uitsmeren
- overgankelijk, (media), (communicatie) de radio verstoren
- jam