• groot·te
enkelvoud meervoud
naamwoord grootte grootten
groottes
verkleinwoord

degroottev

  1. mate waarin iets of iemand groot is, de afmeting
    • Een meloen ter grootte van een voetbal. 
     Nadat zo'n zwart gat is gevormd, kan het toenemen in grootte door materie uit de omgeving op te nemen.[3]
     Niet zo gek dus dat ook de geboorte van de maan is toegeschreven aan de catastrofale inslag van de pasgeboren aarde met Theia - een hypothetische protoplaneet ter grootte van Mars.[4]
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]