Naar frequentie 563
  • Ontwikkeld uit Middelengels cutten, kitten "snijden", ontleend aan Oudnoors, vergelijk modern Noors kutte "snijden", Zweeds kuta "mes"

cut

  1. snee, snede
  2. selectie (van genodigden, in een solicitieprocedure, wedstrijd, e.d.)
  3. (handel) aandeel, deel van de winst
vervoeging
onbepaalde wijs to  cut 
he/she/it  cuts 
verleden tijd  cut 
voltooid
deelwoord
 cut 
onvoltooid
deelwoord
 cutting 
gebiedende wijs  cut 

cut

  1. overgankelijk snijden
    «Cut the meatballs in half and set aside.»
    Snijd de gehaktballen in het midden door en leg ze opzij.
  2. overgankelijk opensnijden
  3. overgankelijk knippen
  4. overgankelijk afknippen
  5. overgankelijk verlagen
  6. overgankelijk verwijderen
  7. overgankelijk castreren (m.n. van mannelijke dieren)
  8. overgankelijk verminderen, verlagen (van salarissen, e.d.)
  9. overgankelijk stoppen, ophouden
  10. overgankelijk (filmkunst) (fotografie) (muziek) editeren, bewerken (door bepaalde scenes, fragmenten te verwijderen, weg te snijden)
  11. overgankelijk (spreektaal) verdunnen (van drank, drugs)
  12. overgankelijk onovergankelijk (kaartspel) (een pak speelkaarten) in tweeën delen
  13. overgankelijk (figuurlijk) overslaan (van afspraken, lessen, e.d.)
  14. overgankelijk(figuurlijk) ~ the queue: in de rij voordringen
  15. overgankelijk(figuurlijk) (iemand) uit zijn of haar sociale leven verwijderen, negeren
  16. onovergankelijk (spreektaal) vertrekken, ervandoor gaan
  17. onovergankelijk abrupte beweging, (film)overgang maken

cut

  1. verleden tijd van cut
  2. voltooid deelwoord van cut