chip
- chip
de chip m
- (voeding) dun reepje gefrituurde aardappel (voornamelijk gebruikt in het meervoud)
- Een zak chips.
- (elektronica) (informatica) klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
- Zonder chips zou het internet er nooit gekomen zijn.
- (materiaalkunde) beschadiging in aardewerk of porselein nadat een scherfje heeft losgelaten
- De antieke vaas heeft sinds de verhuizing een chip in de bovenrand.
- [1] Een chip van het merk Utz
- [2] Een chip
- [3] Kopje met een chip in de rand
- [1] chipje
- [2] geïntegreerde schakeling
|
|
|
|
1. dun reepje gefrituurde aardappel
- Het woord chip staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "chip" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "chip" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ chip op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
- erfwoord via Middelengels chip/chippe van Angelsaksisch ċipp/ċippian, "snijden, houwen". Van West-Germaans *kippōn.
- Verwant met o.a.: Duits kipfen, Nedersaksisch kippen, Nederlands kip ("snede") en keep zn .
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| chip | chips |