beuken
- beu·ken
beuken
- hout van de beuk, een Europese hardhoutboom
- In het huis ligt een massief beuken parketvloer.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beuken |
beukte |
gebeukt |
| zwak -t | volledig | |
beuken
- inergatief ergens fors op slaan
- Plots werd er op de deur gebeukt.
- De woeste zee beukt tegen de steile rotswand.
- er op los beuken
- murw gebeukt
- Het woord beuken staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "beuken" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ beuken (hard slaan of kloppen) op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "beuken" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be