• aard·wolf
  • Leenwoord uit het Afrikaans, in de betekenis van ‘hyena-achtige’ voor het eerst aangetroffen in 1882 [1]
  • samenstelling van  aard zn  en  wolf zn  [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord aardwolf aardwolven
verkleinwoord aardwolfje aardwolfjes