Manuel Blanco
Manuel Blanco y Ramos (Navianos de Alba, 24 november 1778 – San Pedro de Macati, 1 april 1845) was een prominent Spaanse botanicus en rooms-katholieke geestelijke in de Filipijnen. Blanco was lid van de orde van de Augustijnen en was jarenlang pastoor in Batangas, ten zuiden van Manilla. Verder was hij onder andere prior (overste) van het Augustijnenklooster in Batangas (tweemaal), Guagua en Manilla. Ook was hij provinciaal definitor, provinciaal procurator en uiteindelijk provinciaal (overste) van de orde van de Augustijnen in de Filipijnen van 1833 tot 1837.
| Manuel Blanco y Ramos | ||||
|---|---|---|---|---|
![]() | ||||
Een portret van Manuel Blanco gemaakt door Juan Arzeo | ||||
| Geboren | 1778 | |||
| Overleden | 1845 | |||
| Geboorteland | Spanje | |||
| Bekend van | Filipijnse planten | |||
| Standaardafkorting | Blanco | |||
| Toelichting | ||||
De bovenaangeduide standaardaanduiding, conform de database bij IPNI, kan gebruikt worden om Manuel Blanco y Ramos aan te duiden bij het citeren van een botanische naam. In de Index Kewensis is een lijst te vinden van door deze persoon (mede) gepubliceerde namen. | ||||
| ||||
Blanco werd bekend door zijn werk als botanicus. Hij publiceerde in 1837 Flora de Filipinas, het eerste uitgebreide overzichtswerk over de Filipijnse flora.
Biografie
bewerkenVroege levensloop en carrière
bewerken

Manuel Blanco werd op 24 november 1778 geboren als zoon van Pedro Blanco en Petronila Ramos. Hij trad op 16-jarige leeftijd in bij de orde van de Augustijnen recollecten in het Real Colegio Seminario de los Agustinos in Valladolid en legde op 6 december 1795 zijn kloostergeloften af. Na het afronden van zijn kerkelijke opleiding vertrok Blanco begin februari 1804 naar de Filipijnen. Meer dan een jaar na zijn vertrek uit Spanje kwam Blanco, samen met 18 andere missionarissen, op 19 april 1805 aan in Manilla.
In eerste instantie was hij enige jaren werkzaam in de parochie Angat, op zo'n 35 kilometer hemelsbreed ten noorden van Manilla. Hij was er tot 1808 assistent (coadjutor) van de lokale pastor Joaquín Calvo, die hem voorbereidde op zijn toekomstige pastorale taken. Bovendien leerde hij er de lokale taal Tagalog, zodat hij met de lokale bevolking kon communiceren, de cultuur kon leren begrijpen en preken en catechese kon geven in het Tagalog. Pastoor Calvo had een grote interesse in de plantenkunde en het was in deze periode dat Blanco begon met het bestuderen van de Filipijnse plantenwereld.
Pastoor in Batangas
bewerkenIn 1808 werd Blanco overgeplaatst naar de parochie van Sint‑Jozef, San Jose, waar hij in eerste instantie werkzaam was als interim (interno) pastoor tot hij in 1812 definitief werd aangesteld als pastoor van San Jose.[1] Hij begon er met de bouw van een stenen kerk ter vervanging van de bestaande kerk van bamboe met een dak van riet. Ten tijde van zijn aanstelling als pastoor van het nabijgelegen Bauan in 1816, was de bouw van de kerk al in een vergevorderd stadium. Zijn opvolger in San Jose was pastoor Manuel Grijalvo, de latere bisschop van Nueva Cáceres. Zijn periode als pastoor van Bauan duurde van 1816 tot 1829.
In zijn periode in Batangas, als pastoor van eerst San Jose en later Bauan, verdiepte hij zich verder in de Filipijnse plantenwereld om hem heen. Blanco had hiervoor geen specifieke studie gevolgd en had in eerste instantie alleen de beschikking over het boek Systema Vegetabilium. Hij gebruikte ook de informatie die voorgangers van hem, zoals de Jezuïeten Clain en Juan Delgado, de Augustijn Ignacio Mercado en de dominicaan Fernando Santa María, al hadden verzameld. Zijn doel was daarbij om zijn parochianen te helpen. Zo konden planten gebruikt worden voor alternatieve medicatie. In 1822 vertaalde hij daartoe ook Tratado de medicina doméstica van Samuel-Auguste Tissot in het Tagalog. En in zijn bewerkte vertaling bepleitte hij ook om lokale en gemakkelijk verkrijgbare planten te gebruiken als alternatief voor geneesmiddelen die in de Filipijnen niet te verkrijgen waren.
Overige functies
bewerkenNaast zijn lange periode als pastoor in Batangas in San Jose en vooral Bauan, was Blanco ook prior van het klooster van Batangas van 1810 tot 1814 en prior van Guagua van 1814 tot 1818. Later was hij opnieuw prior van het klooster van Batangas van 1829 tot 1830, prior vocal (bestuurslid) van de kloosters van Parañaque van 1838 tot 1839 en van Guadalupe (Makati) van 1839 tot aan zijn overlijden in 1845. Hij vervulde ook diverse functies binnen de Augustijnse kloosterorde. Zo was hij provinciaal definitor (bestuurslid) van 1825 tot 1829, provinciaal procurator van 1830 tot 1833 en was hij de provinciaal (overste) van de Augustijnen van 1833 tot 1837. Als provinciaal reisde Blanco door alle provincies waar de Augustijnse orde actief was. Deze bezoeken aan Antique, Batangas, Bulacan, Capiz, Cebu, Iloilo, Ilocos, Pampanga en Pangasinan, gaven hem een goede gelegenheid om zijn studie naar de Filipijnse flora nog verder uit te breiden en zijn collectie van lokale planten en bloemen te vergroten. Na afloop van zijn termijn als provinciaal werd hij opgevolgd door Julián Bermejo, die voornamelijk diende als pastoor en prior op het eiland Cebu. Bermejo deelde zijn voorliefde voor botanie en was ook verantwoordelijk voor een flink aantal plantensoorten van zijn verzameling.
Flora de Filipinas
bewerkenDe notities die Blanco maakte, naar aanleiding van het materiaal dat hij in de loop der jaren verzamelde, waren door hem nooit bedoeld om te publiceren. Zijn werk trok echter de aandacht van Isabella II, de toenmalige vorst van Spanje. Zij stuurde op 27 maart 1834 een koninklijk bevel naar de gouverneur-generaal van de Filipijnen en een brief aan de provinciaal van de Orde der Augustijnen, waarin zij hen aanspoorde om de aantekeningen van pater Blanco te laten publiceren. Onder deze druk besloot Blanco daarop om te gaan werken aan een publicatie. In 1837 verscheen de eerste editie van Flora de Filipinas. In 2 delen beschreef Blanco daarin ongeveer 900 tot 1000 Filipijnse plantensoorten. Het boek was geschreven in het Spaans en bevatte een inleiding in de botanie van 78 pagina's en beschreef daarna ruim 900 Filipijnse plantensoorten volgens de taxonomische indeling van Linnaeus. Naast de wetenschappelijke namen werden voor de planten ook de gangbare namen in de lokale talen Tagalog, Bicol, Cebuano, Ilocano en Pampango gegeven. Behalve de taxonomie van de planten en bloemen beschreef hij nuttige toepassingen van de planten in de bouw, de industrie, de kunst of als medicatie.
Deze eerste editie van Flora de Filipinas, die nog geen afbeeldingen van de planten bevatte. Het was het eerste uitgebreide overzichtswerk over de Filipijnse flora en werd mede daardoor erg goed ontvangen. Het boek kreeg ook kritiek. Beschrijvingen van plantensoorten waren niet allemaal volledig. Zo ontbrak soms de auteur van een soortnaam en bevatten de verwijzingen naar de geografische locatie fouten. Zo werden endemische soorten ten onrechte opgenomen als zijnde afkomstig uit Azië en tropisch Amerika, terwijl andere soorten, die in werkelijkheid uit tropisch Amerika waren geïntroduceerd, werden beschreven als inheems in de Filipijnen. Ook werden veel van de apart beschreven soorten later weer beschouwd als synoniemen.
Overlijden en eerbetoon
bewerkenBlanco overleed op 1 april 1845 op 65-jarige leeftijd in het klooster van Guadalupe (Makati) aan de gevolgen van een langdurende dysenterie, vlak voordat de tweede editie van zijn boek Flora de Filipinas werd gepubliceerd. Hij werd begraven in het mausoleum van dit klooster. Jaren na zijn dood verscheen nog een derde editie van zijn boek. In deze editie werden wel tekeningen van planten opgenomen. Ook bevatte deze editie een gravure op basis van het schilderij dat zijn Augustijnse broerders van Blanco door de Filipijnse schilder Juan Arzeo hadden laten maken tegen het einde van zijn leven. Dit schilderij hing oorspronkelijk in het Augustijnse klooster San Agustin in Intramuros en werd na de Tweede Wereldoorlog in de Filipijnen overgebracht naar het Convento de los Agustinos Filipinos in Valladolid.
Ter ere van zijn verdiensten voor de plantenkunde in de Filipijnen vernoemde botanicus Carl Ludwig Blume een geslacht van de familie van Palmae naar hem: het Blancoa geslacht. Daarnaast vernoemde een andere botanicus John Lindley de soort Blancoa canescens en het monotypische geslacht Blancoa van deze soort uit de familie van de Haemodoraceae naar de Augustijnse pater.[2]
Bronnen
bewerken- Andrés Naves (1877), Biografie in Flora de Filipinas - Gran Edition, Establecimiento Tipografico, Manilla
- Elviro J. Perez (1901), Catálogo bio-bibliográfico de los religiosos Agustinos de la provincia del Santísimo nombre de Jesús de las islas Filipinas desde fundación hasta nuestros días, Establecimiento Tipográfico del Colegio de Santo Tomás
- Regalado Trota Jose, A Visual Documentation of Fil-Hispanic Churches, Part XXVI: The Church of San José de Malaquing Tubig, Batangas (1767-1898), National Historical Commission of the Philippines (NHCP), Manilla
- Biografie Manuel Blanco, Real Academia de la Historia (geraadpleegd op 11 maart 2026)
- Biografie Manuel Blanco, Website National Herbarium Nederland
Noten
bewerken- ↑ Regalado Trota Jose, A Visual Documentation of Fil-Hispanic Churches, Part XXVI: The Church of San José de Malaquing Tubig, Batangas (1767-1898), National Historical Commission of the Philippines (NHCP), Manilla
- ↑ C.A. Backer (2018), Verklarend woordenboek der wetenschappelijke namen van de in Nederland en Nederlandsch-Indië in het wild groeiende en in tuinen en parken gekweekte varens en hoogere planten, Erven P. Noordhoff N.V. Groningen; Noordhoff-Kolff, Batavia; Visser & Co, Batavia, 1936
| Voorganger: ? |
Provinciaal van de Orde van de Augustijnen in de Filipijnen 1837-1839 |
Opvolger: Manuel Grijalvo |
