Gabbroïde, gabbro in ruime zin, of gabbroïsch gesteente is stollingsgesteente waarvan de modale mineralogie hooguit 5% kwarts bevat en waarin de veldspaat voor 90% uit voornamelijk calciumrijk plagioklaas bestaat.[1] Het verschilt van dioriet, dat overwegend natriumrijk plagioklaas bevat. Gabbroïde kan verder worden onderverdeeld op grond van de mafische mineralen.

Verdere indeling van gabbroïsch gesteente op basis van mafische mineralen. De bovenste driehoeksdiagram toont gesteente met plagioklaas, pyroxeen en olivijn; de onderste dat met i.p.v. olivijn hoornblende. Gesteente dat in het oranje veld valt, kan verder worden ingedeeld met de middelste driehoek, waarin verschil tussen ortho- en clinopyroxeen wordt gemaakt.

De IUGS-classificatie van stollingsgesteente definieert gabbro (in strikte zin) als gabbroïsch gesteente dat voornamelijk uit calcium-plagioklaas en clinopyroxeen bestaat. Als de pyroxeen voornamelijk orthopyroxeen is, heet het gesteente noriet. De tussenvorm gabbronoriet bevat ongeveer gelijke hoeveelheden ortho- en clinopyroxeen. Gabbroïsch gesteente dat meer ortho- dan clinopyroxeen bevat kan "clinopyroxeen-noriet" genoemd worden; als het meer clinopyroxeen bevat is de naam "orthopyroxeen-gabbro" van toepassing. Gabbroïsch gesteente dat nauwelijks pyroxeen bevat (<5%) en dus grotendeels uit plagioklaas en olivijn bestaat heet troctoliet. Ten slotte kan gabbroïsch gesteente ook amfibool bevatten (vooral hoornblende). Als meer dan 5% van de modale mineralogie uit hoornblende bestaat wordt het mineraal aan de naam toegevoegd, bijvoorbeeld "hoornblende-gabbro" of "clinopyroxeen-hoornblende-noriet".

Gesteente dat hoofdzakelijk uit plagioklaas en mafische mineralen bestaat is niet in alle gevallen gabbroïsch. Bij meer dan 90% plagioklaas wordt het anorthosiet genoemd. Bij minder dan 10% plagioklaas is het gesteente ultramafisch. Hoornblendiet is stollingsgesteente dat eveneens weinig plagioklaas heeft, maar relatief veel hoornblende.